Zoeken

Diensten

Jurisprudentie Wabo

Aanhaken

Rechtbank Almelo 7 maart 2012 LJN: BV8394
De voorzieningenrechter, uitspraak doende in de hoofdzaak, gaat in op de vraag of het college van burgemeester en wethouders bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstand terecht heeft afgezien van het aanhaken van de Flora en faunawet besluitvorming die naar de mening van eisers noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college uit onderzoek mogen afleiden dat het vragen van ontheffing in het kader van de Flora en faunawet achterwege kan blijven, en terecht gemeend dat het aanhaakstelsel van de Wabo in casu niet van toepassing is. Wel wijst de rechtbank op de te allen tijde geldende zorgplicht op het moment dat daadwerkelijk wordt overgegaan tot het vellen van de bomen.

Aanhoudingsplicht

Afdeling bestuursrechtspraak 5 oktober 2011, 201002323/1, LJN: BT6635
Gegrond beroep tegen een exploitatieplan, dat leidt tot vernietiging van het vaststellingsbesluit. De Afdeling komt tot het oordeel dat een aanhoudingsplicht geldt voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen ten behoeve van een activiteit waarop een exploitatieplan van toepassing is, indien er geen grond is de vergunning te weigeren en dat exploitatieplan nog niet onherroepelijk is. Die in artikel 3.5 Wabo neergelegde aanhoudingsplicht geldt bij gedeeltelijke vernietiging van een exploitatieplan en ook voor een geheel vernietigd exploitatieplan.

Afwijking bestemmingsplan

Binnenplanse afwijking
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 1 april 2011, 201100375/2, LJN: BQ0266
Vaststelling van het bestemmingsplan d.d. 30 september 2010. Het bestemmingsplan is voor inwerkingtreding van de Wabo vastgesteld en bevat een binnenplanse ontheffingsbevoegdheid. De procedure daaromtrent in het bestemmingsplan bepaalt dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze omtrent de voorgenomen ontheffing naar voren te brengen. De regeling is gebaseerd op artikel 3.6 Wro (zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van de Wabo). Verzoekers betogen dat de termijn van 2 weken voor het indienen van zienswijze te kort is en dat die termijn gesteld zou moeten worden op 6 weken. Voorzitter stelt vast dat na inwerkingtreding van de Wabo artikel 3.6 Wro bepaalt dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. De procedure van totstandkoming van zo’n omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is vanaf dat moment geregeld in artikel 3.9 Wabo en die procedure voorziet niet in het kunnen indienen van zienswijze. De voorzitter stelt vast dat de vraag of aan de ontheffingsprocedure van het bestemmingsplan nog betekenis toekomt, gelet op de procedure van artikel 3.9 Wabo, zich niet leent voor beantwoording in een voorlopige voorzieningsprocedure. Voorlopig meent de voorzitter in ieder geval wel dat de termijn zoals die in het bestemmingsplan is opgenomen –er vanuit gaande dat die een aanvullende werking hebben ten opzichte van de in artikel 3.9 Wabo- voorziet in een termijn van 2 weken welke termijn niet onredelijk kort kan worden genoemd.

Rechtbank Dordrecht 16 september 2011, LJN: BT6171
De regeling omtrent de te volgen procedure uit het bestemmingsplan, vindt geen toepassing in geval voor de verlening van de benodigde omgevingsvergunning in de Wabo een andere procedure is voorgeschreven. In dit geval moet daarom op grond van artikel 3.7 Wabo de reguliere procedure worden gevolgd en niet de u.o.v. die het bestemmingsplan in onderhavig geval voorschreef.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 11april 2012, LJN: BW1595
In deze zaak was voor inwerkingtreding van de Wabo een bestemmingsplan vastgesteld waarin een binnenplanse ontheffingsmogelijkheid was opgenomen (gebaseerd op artikel 3.6 Wro). Daarvoor bevatte het bestemmingsplan een specifiek procedurevoorschrift (zienswijze binnen twee weken). Sinds 1 oktober 2010 is de procedure van totstandkoming van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid geregeld in artikel 3.9 Wabo. De Afdeling concludeert dat gelet op artikel 1.2, tweede lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de Invoeringswet Wabo het recht zoals het gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 Wabo van toepassing blijft op de voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 Wro. De procedureregeling van de bestemmingsplanregels kan op grond van dit overgangsrecht dus nog steeds toepassing vinden, aldus de Afdeling. De Afdeling acht verder, gelet op de beslistermijn van acht weken, een termijn van twee weken voor het indienen van zienswijzen omtrent het ontwerpbesluit tot het verlenen van ontheffing niet te kort. Voor wat betreft aanvragen van na 1 oktober 2010 geldt dat daarop de reguliere voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.2 Wabo toepassing is. Bij toepasselijkheid van de Wabo op de aanvraag geldt het bepaalde in de bestemmingsplanregels niet; die planregels blijven dan buiten toepassing.

Kruimelafwijking
Rechtbank Dordrecht 20 december 2011, LJN: BV0167
Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid onder a, onder 2 van de Wabo jo. artikel 4.1 bijlage 2 van het Bor. De rechtbank bepaalt dat ook bij een kruimelafwijking het vereiste wordt gesteld van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit ondanks het ontbreken van dit vereiste in de wettekst. De rechtbank stelt vast dat uit jurisprudentie van de Afdeling over artikel 19 lid 3 van de WRO en artikel 3.23, eerste lid, van de Wro volgt dat de eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing weliswaar niet in de wettekst is opgenomen, maar dat er bij de ontheffing wel gemotiveerd moet worden waarom de ontwikkeling in planologisch opzicht aanvaardbaar is. Die jurisprudentie geldt onverkort voor de bevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de Wabo.

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 2 december 2011, 201111543/1 en 201111543/2
In deze zaak was sprake van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een uitbouw aan de achterzijde van een woning in beschermd stadsgezicht. Het oprichten van de uitbouw was in strijd met het bestemmingsplan en het college verleende omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1 Wabo (binnenplanse afwijking; goothoogte) en met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2 Wabo in combinatie met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Bor (de voormalige kruimellijst; grondoppervlakte van het bouwplan). Nadat het bezwaar en daarna het beroep ongegrond zijn verklaard, bevestigt de Afdeling de uitspraak. De aanwijzing tot beschermd stadsgezicht stond niet in de weg aan verlening van de omgevingsvergunning.

Overige afwijkingen
Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 22 april 2011, LJN: BQ2769
Op 30 november 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en planologisch strijdig gebruik ten behoeve van onder meer het uitbreiden van een botenhuis met een schuur. Daartegen wordt bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Aangevoerd wordt dat de schuur in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan. Vooralsnog meent de voorzieningenrechter dat sprake is van een ander bouwwerk en niet van een bijgebouw in de zin van het bestemmingsplan. De grens van maximaal 50 m² die het bestemmingsplan voorschrijft voor bijgebouwen wordt dan ook niet overschreden. Wel is sprake van strijd met het bestemmingsplan –minimale afstand van 1 m- waardoor ook sprake is van een activiteit “planologisch strijdig gebruik” (c-vergunning). Omdat uit het besluit geenszins blijkt dat een evenwichtige belangenafweging heeft plaatsgevonden (met name het zichtaspect speelde een rol) schorst de voorzieningenrechter tot 6 weken na de beslissing op bezwaar.

Tijdelijke afwijking
Voorzieningenrechter rechtbank Middelburg 28 juli 2011, LJN: BR5731
In deze uitspraak bevestigt de voorzieningenrechter dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot artikel 3.22 Wro (oud) haar gelding ook onder de Wabo en het Bor heeft behouden. Bij toetsing van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo, die voorziet in een tijdelijke behoefte (artikel 5:18 Bor) is dan al van belang dat aangetoond wordt dat tijdelijk behoefte bestaat aan een voorziening waarvoor vergunning wordt verleend. Niet bepalend is of sprake is van een permanente behoefte, slechts bepalend is dat de voorziening tijdelijk is. In casu was voldoende aannemelijk gemaakt dat de tijdelijke weg uitdrukkelijk een tijdelijke voorziening betreft en niet wordt aangelegd om te voorzien in een permanente behoefte.
In vergelijkbare zin: Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem 6 oktober 2011, LJN: BT6936

Algemeen gebruiksverbod

ABRS 8 februari 2012, LJN: BV3229
De Wabo vervangt niet het gebruiksverbod van artikel 352 Bouwverordening 1965

Op 1 oktober 2010 zijn de Wabo en de Invoeringswet Wabo in werking getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juni 2011 in zaak nr. 201007465/1/R1), ontneemt de Wabo, noch de Invoeringswet Wabo, de rechtskracht die de Wro en de Invoeringswet Wro toekent aan bestemmingsplannen die met toepassing van de WRO tot stand zijn gekomen, terwijl de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo geen aanwijzing bevat dat de wetgever met de benadering als neergelegd in de hiervoor genoemde uitspraak in zaak nr. 200708557/1 heeft willen breken. Dit betekent dat de Wabo, noch de Invoeringswet Wabo tot gevolg heeft dat het verbod als bedoeld in artikel 352 van de Bouwverordening 1965 is vervangen door het algemeen verbod met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat verbod blijft derhalve van toepassing op het uitbreidingsplan, zij het ingevolge de artikelen 9.1.4, vierde lid, en 9.3.2 van de Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, tot 1 juli 2013.

Belanghebbende

Afdeling bestuursrechtspraak 13 april 2011, 200908792, LJN: BQ 1081
Geschil over milieuvergunning waarop de Wabo nog niet van toepassing is. Voor de rechtspraktijk gaat de Afdeling alvast wel in op de vraag hoe belanghebbendheid moet worden bepaald indien de omgevingsvergunning meer dan één van de toestemmingen als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat. Hoofdregel is dat per toestemming voor een activiteit als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo, moet worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. Indien sprake is van onlosmakelijke activiteiten als bedoeld in 2.7, eerste lid, Wabo wordt een uitzondering op die hoofdregel gemaakt.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Gravenhage 11 juli 2011, LJN: BR 1523
Voorlopige voorziening ingediend naar aanleiding van een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand in Wassenaar (voormalige kapvergunning). Omdat de afstand tussen de woning van verzoeker en de betreffende locatie 250 meter bedraagt en verzoeker vanuit zijn woning geen zicht heeft op de te kappen bomen, kan hij dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt. De Voorzieningenrechter grijpt terug op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding van beroepsprocedures over kapvergunningen en belanghebbendheid in dat verband.

Bevoegdheidsverdeling Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en rechtbanken

Afdeling bestuursrechtspraak 15 juli 2011, no. 201102222/2, LJN: BR335
Betreft een besluit tot intrekking van een onder de Wet milieubeheer verleende vergunning. Die vergunning moet worden gelijkgesteld met een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Aan de intrekking is artikel 8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer ten grondslag heeft gelegd. Het ontwerp intrekkingsbesluit is evenwel op 18 november 2010, na inwerkingtreding van de Wabo, ter inzage gelegd. Daarom is op die procedure het nieuwe recht van toepassing, waardoor de rechtbank de bevoegde instantie
Nu het ontwerp van het intrekkingsbesluit op 18 november 2010 ter inzage is gelegd, is artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder b, van de Invoeringswet niet van toepassing op het onderhavige besluit, maar moet het recht zoals dat geldt met ingang van 1 oktober 2010 worden toegepast. Dit betekent dat de rechtbank bevoegd is om op het beroep te beslissen.

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 21 juni 2011, LJN BQ9980
Met de invoering van de Wabo is artikel 20.1, eerste lid, van de Wm gewijzigd. Een besluit met betrekking tot handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.40 van de Wm is daarmee van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak uitgezonderd. Bij de wijziging van artikel 20.1 van de Wm heeft de wetgever niet voorzien in overgangsrecht. De rechtbank gaat ervan uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het bestreden besluit is bekend gemaakt na 1 oktober 2010. Derhalve acht de rechtbank zich bevoegd, ook al is het primaire besluit voor 1 oktober 2010 genomen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 december 2010, 201011282/2, LJN: BO6653.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 juni 2011, LJN BR1160
Met de invoering van de Wabo is artikel 20.1, eerste lid, van de Wm gewijzigd. Een besluit met betrekking tot handhaving van het bepaalde krachtens artikel 8.42 van de Wm is daarmee van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak uitgezonderd. Bij deze wijziging van artikel 20.1 Wm heeft de wetgever met betrekking tot besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van artikel 8.42 Wm, niet in overgangsrecht voorzien. Gelet daarop gaat de rechtbank er van uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 december 2010, 201011282/2, LJN: BO6653. Derhalve acht de rechtbank zich bevoegd.
Zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 6 december 2010, 201011575/2, LJN: BO6580

Gebruiksverbod

Afdeling bestuursrechtspraak 29 juni 2011, 201007465/1, LJN: BQ9624
Bestemmingsplan dat is vastgesteld onder de oude WRO en waarin geen algemeen gebruiksverbod is opgenomen. Het algemene gebruiksverbod van artikel 7.10 Wro is niet van toepassing op een plan dat onder de oude WRO tot stand is gekomen. Het algemeen gebruiksverbod neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo is daarop evenmin van toepassing. Daartoe overweegt de Afdeling dat deWabo noch de Invoeringswet Wabo de rechtskracht ontneemt die de Wro en de Invoeringswet Wro toekent aan bestemmingsplannen die met de toepassing van de WRO tot stand zijn gekomen, terwijl de geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo geen aanwijzing bevat dat de wetgever met de benadering neergelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 november 2008 in zaak nr. 200708557/1, LJN: BG5339, heeft willen breken.

Gedoogbeschikking

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 december 2011, LJN: BU9754
De vraag is aan de orde wie het bevoegde bestuursorgaan is om over een verzoek om een gedoogbeschikking te oordelen. De voorzieningenrechter bepaalt dat hiervoor niet de te gedogen activiteiten doorslaggevend zijn, maar de in procedure zijnde aanvraag voor een milieuvergunning. De voorzieningenrechter verwijst hierbij naar oude jurisprudentie van de Afdeling, die onder de Wabo dus nog altijd van toepassing is.

Geluid

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2011, LJN: BT7471
Betreft last onder dwangsom vanwege het in werking hebben van een inrichting zonder omgevingsvergunning. In het kader van de vraag of sprake is van concreet uitzicht op legalisatie komt aan de orde of de grenswaarden van de Wet geluidhinder in acht worden genomen. Die verplichting volgt uit artikel 2.14, eerste lid, onder c, onderdeel 2 van de Wabo. De rechtbank oordeelt dat de grenswaarden niet in acht worden genomen en wijst op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak op grond waarvan bij een bestaande overschrijding van een zonegrenswaarde iedere bijdrage, hoe gering ook, worden beschouwd als een toevoeging aan de bestaande overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank geldt deze jurisprudentie onder de Wabo nog steeds. Omdat nu al sprake is van een overschreden zonegrenswaarde zal de toevoeging van activiteiten waarop het handhavingsbesluit betrekking heeft tot een verdere overschrijding leiden. Conclusie is dat concreet uitzicht op legalisatie ontbreekt.

Handhaving

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 december 2011, LJN: BU9737
Twee handhavingsbesluiten waarbij een last onder dwangsom wordt opgelegd wegens een dreigende overtreding van een gebruiksverbod uit een voorbereidingsbesluit en een aanschrijving om twee slagbomen te verwijderen wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter gaat na of verzoekster als overtreder van het verbod in de zin van artikel 2.1, eerste lid aanhef onder c van de Wabo kunnen worden aangemerkt. Op grond van dit artikel is het verboden gronden te gebruiken in strijd met een voorbereidingsbesluit als toepassing is gegeven aan artikel 3.7 lid 4 Wro. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 3.7 Wro leidt de voorzieningenrechter af dat in artikel 2.1 Wabo niet alleen het zelf gebruiken verboden is gesteld, maar ook het “laten gebruiken”. Daarom kan niet alleen de daadwerkelijke gebruiker maar ook de verhuurder als overtreder worden aangemerkt. Hierbij is ook van belang dat verhuurder het desbetreffende terrein geschikt heeft gemaakt voor het strijdige gebruik.

Overigens komt in deze uitspraak ook kort aan de orde of twee slagbomen vergunningsvrij kunnen worden gebouwd. Tijdens de zitting heeft de voorzieningenrechter niet vast kunnen stellen wat de hoogte van de slagbomen is. verder stelt de voorzieningenrechter vast dat niet valt uit te sluiten dat de slagbomen kunnen worden aangemerkt als een perceelafscheiding als bedoeld in het Bor. Verder heeft verzoeker 1 het niet in haar macht de slagbomen die in eigendom zijn van verzoeker 2 te verwijderen.

Voorzieningenrechter rechtbank Almelo 17 februari 2011, LJN: BP6014
Betreft afwijzing van een handhavingverzoek wegens strijdig gebruik. Na 1 oktober 2010 werd verzocht om handhaving in verband met de overtredingen van het bestemmingsplan door een autobergingsbedrijf. Het college van Burgemeester & Wethouders besliste afwijzend op dat verzoek. Naar aanleiding van een verzoek om voorlopige voorziening, waarbij verzoeker vraagt om het college op te dragen alsnog op zo kort mogelijke termijn handhavend op te treden, overweegt de voorzieningenrechter dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. Verweerder was dus bevoegd handhavend op te treden, en daartoe –in beginsel- verplicht. Desondanks treft de voorzieningenrechter toch geen voorziening, omdat de voorzieningenrechter niet inziet dat verzoekers van het huidige gebruik van het terrein –dat al bestaat sinds 2008- een zodanig groot nadeel ondervinden dat zij om die reden de beslissing op hun bezwaarschrift niet zouden kunnen afwachten. Bovendien is de uitkomst van de procedure bij de Raad van State over een mogelijk legaliserend bestemmingsplan van belang.

Rechtbank Breda 21 juni 2011, LJN: BR0692
Handhavingsbesluit van voor de inwerkingtreding van de Wabo, zodat ingevolge artikel 1.6 Wabo voor de verdere besluitvorming en de bezwaar- en beroepsprocedures het oude recht van toepassing is. De beslissing op bezwaar dateert van na inwerkingtreding van de Wabo. De rechtbank is van oordeel dat de vraag naar concreet zicht op legalisatie naar nieuw recht dient te worden beoordeeld.

Voorzieningenrechter rechtbank Leeuwarden 31 augustus 2011, LJN: BR6379
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Menameradiel had een last onder dwangsom opgelegd met het doel een eind te laten maken aan trainingen en wedstrijden voor modelvoertuigen met een verbrandingsmotor. De aangeschrevene exploiteerde een manege en evenementenranch en had daarvoor een milieuvergunning, maar deze vergunning zag niet op deze activiteiten. Daarmee achtte het college de activiteiten in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het college bevoegd is om op te treden: het college had ook in het verleden de milieuvergunning (thans omgevingsvergunning) verleend en bovendien was sprake van een voortdurende overtreding vanaf ca. medio 2010.

Rechtbank Utrecht 31 augustus 2011, LJN: BR6029
In deze zaak ging het om handhaving van artikel 2.3a van de Wabo, op grond waarvan het verboden is een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten. De aangeschreven personen hadden een appartement aangekocht voor 1 april 2007 (wijziging Woningwet) en waren, zo stelden zij, niet op de hoogte van het feit dat de uitbouw aan het appartement zonder vergunning was gerealiseerd. Teruggrijpend op de wetgeschiedenis, overweegt de rechtbank dat van iemand die de eigendom van een perceel heeft gekregen voor 1 april 2007, ten tijde van de verkrijging niet hoeft te worden verlangd dat hij onderzoek verricht naar de vraag of de bouwwerken op het perceel zonder of in afwijking van een bouwvergunning waren gebouwd. Het is anders wanneer die persoon ten tijde van de verkrijging concrete aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning was gebouwd. In casu was van dit laatste sprake: kopers wisten dat sprake was van een illegale uitbouw en hebben dus bewust een risico genomen. Er kon dan ook met recht worden opgetreden tegen het illegaal gebouwde.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 25 augustus 2011, LJN: BR6123
Hier ging het om een gedoogbesluit van het college van burgemeester en wethouders ten aanzien van een motorcrossterrein. De voorzieningenrechter beoordeelt of het college van burgemeester en wethouders bevoegd was dat besluit te nemen en concludeert dat dit niet het geval is. Het college van gedeputeerde staten is bevoegd gezag ten aanzien van het verlenen van een omgevingsvergunning voor deze inrichting en daarmee ook ter aanzien van handhaving (5.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo).

Voorzieningenrechter rechtbank Dordrecht 31 augustus 2011, LJN: BR6524
Het college van burgemeester en wethouders hadden een verzoek om handhaving, waarna verzoekers een voorlopige voorziening vorderden. De voorzieningenrechter oordeelt dat de verbouwactiviteiten – waarmee een kantoorruimte wordt omgevormd tot wokrestaurant – moet worden aangemerkt als het bouwen van een bouwwerk. Wanneer al voldaan zou worden aan de voorwaarden van artikel 3, aanhef en onder 8 van bijlage II Bor (voorheen onder 7) is het bouwen nog steeds in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Er was namelijk geen sprake van ondergeschikte of ondersteunende horeca. Op grond van artikel 5, tweede lid Bor, is dan dus toch sprake van een omgevingsvergunningplicht voor bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo.

Voorzieningenrechter rechtbank ‘s-Hertogenbosch 11 oktober 2011, LJN: BT7521
Betreft last tot stillegging bouwwerkzaamheden aan een zonder omgevingsvergunning gebouwde woonwagen die wordt gedoogd. Uitbreiding van de woonwagen is in strijd met het bestemmingsplan en omdat voor de woonwagen zelf nooit een omgevingsvergunning is verleend, volgt uit artikel 5, tweede lid, van bijlage II Bor reeds dat niet vergunningsvrij kan worden gebouwd op basis van de artikelen 2 en 3 van bijlage II Bor. De uitbreiding van de woonwagen valt bovendien niet onder de in die artikelen genoemde categorieën van bouwwerken. Stillegging uitbreiding gedoogde woonwagen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aan gebruikmaking van de bevoegdheid tot stillegging in de weg staan. De jurisprudentie die is gevormd onder artikel 100 Woningwet acht de voorzieningenrechter van overeenkomstige toepassing op de bevoegdheid van 5.17 van de Wabo.

Rechtbank Roermond 6 maart 2012, LJN: BV8301
Het college van burgemeester en wethouders had lasten onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (bouwen van een bouwwerk zonder vergunning) en vanwege strijdigheid met de voorschriften van het bestemmingsplan als ook artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan). Eisers voerden aan dat zij pas in 1994 eigenaar zijn geworden van het perceel en hen daarom bij gebrek aan wetenschap niet is aan te rekenen dat ten tijde van de eigendomsverkrijging bouwwerken aanwezig waren waarvoor nimmer een bouwvergunning was verleend. De rechtbank volgt hen in die redenering en is van oordeel dat zij niet aan te merken zijn als overtreders van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo (daartoe verwijzend naar Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 28 september 2011, LJN: BT2796). Vervolgens oordeelt de rechtbank dat het algemene gebruiksverbod ex artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo niet van toepassing is op bestemmingsplannen die op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening tot stand zijn gekomen. Wel zijn eisers aan te merken als overtreders van het in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksverbod, maar nu strijdig gebruik anders dan bouwen geen toereikende grondslag vormt voor een last om een bouwwerk te verwijderen, kunnen de lasten geen stand houden, aldus de rechtbank.

Intrekking

Voorzieningenrechter rechtbank Assen 21 december 2010, LJN: BO9494
Intrekking milieuvergunning voor opslag consumentenvuurwerk wegens niet-naleving voorschriften. Voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 5.19 Wabo grondslag biedt om de milieuvergunning in te trekken. Echter, ten onrechte is niet de in artikel 5.19, derde lid, Wabo vermelde hersteltermijn gegeven. Omstandigheid dat de vergunning betrekking heeft op kortdurende activiteiten staat niet in de weg aan toepasselijkheid van artikel 5.19, derde lid.

Inwerkingtreding

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 december 2011, LJN: BU8835
Omgevingsvergunning voor het slopen van gebouwen, waarvan is bepaald dat die terstond in werking treedt. Directe inwerkingtreding is gemotiveerd met het voorkomen van risico’s van brandstichting en het daaraan gekoppelde risico van asbestverspreiding. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze motivering voldoende is.

Monument

Rechtbank Leeuwarden 23 september 2011, LJN: BT2739
Procedure heeft betrekking op aanwijzing tot rijksmonument van de Tonnemafabriek in Sneek. De problemen die eiseres stelt te zullen ondervinden met betrekking tot de verbouw van het interieur, komen eerst aan de orde bij de afweging die in het kader van een vergunningprocedure moet plaatsvinden. Op grond van artikel 2.15 Wabo dient daarbij rekening te worden gehouden met het gebruik van het monument als productievestiging voor zoetwaren.

Onlosmakelijke samenhang

Voorzieningenrechter rechtbank Roermond 21 januari 2011, LJN: BP1979
Deelomgevingsvergunning voor het kappen van een houtopstand. Vergunninghouder is voornemens om het perceel en de nabijgelegen jachthaven te herontwikkelen. Op het desbetreffende perceel wil hij een parkeerplaats te realiseren. Onderhavige omgevingsvergunning heeft alleen betrekking op de activiteit kappen, een activiteit die los te beschouwen valt van de overige activiteiten die toekomstig voorzien zijn.

Rechtbank Utrecht 3 februari 2011, LJN: BP 2987
Omgevingsvergunning voor de kap van circa 900 bomen, ten behoeve van groot onderhoud aan A28. Voorzieningenrechter is van oordeel dat het verleggen van de A28 ten behoeve van het onderhoud en de kap niet in één aanvraag om omgevingsvergunning behoeven te zijn opgenomen. Geen onlosmakelijke samenhang derhalve.

Voorzieningenrechter Rechtbank Middelburg 10 februari 2011, LJN: BP 3923
Afzonderlijke omgevingsvergunningen voor de activiteiten bouwen en slopen. Tardief en niet-verschoonbaar bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Impliciet oordeel dat bouwen en slopen niet onlosmakelijk zijn verbonden.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Gravenhage 10 maart 2011, LJN: BP 9765
Omgevingsvergunning voor tijdelijk plaatsen van kabel- en leidingsbruggen. Verzoekers hadden betoogd dat de realisatie van de parkeergarage –ten behoeve waarvan de kabel- en leidingsbruggen tijdelijk zullen worden gerealiseerd- één feitelijke handeling betreft waarmee de kabel- en leidingsbruggen een onlosmakelijke samenhang vertonen. De activiteiten en de vergunde bouwwerken moeten naar hun oordeel als ondeelbaar ten opzichte van de rest van de betrokken handeling (realisatie van de parkeergarage) gezien worden, aldus verzoekers. Voorzieningenrechter oordeelt dat de tijdelijke bouwwerken weliswaar worden gerealiseerd ten behoeve van de werkzaamheden voor de parkeergarage, maar niet daarmee onlosmakelijk verbonden zijn. De realisatie van de kabel- en leidingsbruggen kan als een zelfstandige handeling worden gezien en de twee bruggen kunnen worden gerealiseerd zonder dat de rest van het plan ooit wordt uitgevoerd. Er is dus geen sprake van strijd met artikel 2.7 Wabo.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 26 augustus 2011 LJN: BR6382
De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van een verzoek om schorsing tegen een verleende omgevingsvergunning voor de verbouw van een gebouw, dat die bestreden omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d Wabo. Bovendien bestaat tussen een dergelijke vergunning (de voormalige gebruiksvergunning) enerzijds, en de vergunning voor de activiteit bouwen anderzijds, geen onlosmakelijke samenhang.

Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2011, LJN: BU2144
Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor met het bestemmingsplan strijdig bouwen en gebruik. De rechtbank overweegt dat het college beleidsvrijheid heeft bij de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen en dat de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2011 LJN: BR6911) niet is gewijzigd door de invoering van de Wabo.

Voorzieningenrechter Rechtbank Assen 10 november 2011, LJN: BU3942
In deze procedure is de vraag aan de orde of de activiteit “brandveilig gebruik” (art. 2.1, lid 1 onder d Wabo), onlosmakelijk samenhangt met de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling van de vraag of er sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik en of dit eventueel strijdige gebruik een samenhangende activiteit in de zin van artikel 2.7 van de Wabo is, dermate complex is, dat deze zich niet leent voor beantwoording in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure. De behandeling van het beroep is in het licht daarvan verwezen naar een meervoudige kamer.

Overgangsrecht

Afdeling Bestuursrechtspraak 2 mei 2012, 201107030/A1, LJN: BW 4563
Toepassing artikel 1.5a Invoeringswet Wabo. Hoger beroep inzake een geweigerde binnenplanse ontheffing ex artikel 3.6 onder c Wro. Ten tijde van de uitspraak in beroep was artikel 1.5a Invoeringswet Wabo nog niet in werking getreden. De rechtbank verklaart op grond van het dan geldende recht het beroep niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 46, zesde lid van de Woningwet bestond immers concentratie van rechtsbescherming en kon pas tegen de geweigering ontheffing worden opgekomen bij de bouwvergunning, die op dat moment nog was vereist. De Afdeling oordeelt dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De Afdeling vervolgt dat artikel 1.5a Invoeringswet Wabo onmiddellijke werking heeft. In artikel 1.5a lid 4 is een concentratie van rechtsbescherming opgenomen. Het besluit omtrent de afwijking van het bestemmingsplan en het besluit inzake de activiteit bouwen moeten daarom tegelijkertijd worden aangevochten. In deze zaak is er geen aanvraag om te bouwen ingediend, want het is inmiddels vergunningvrij. De Afdeling concludeert daarom dat artikel 1.5a lid Invoeringswet Wabo niet aan de behandeling van het beroep in de weg staat. Maar de rechtbank heeft op het moment van beoordeling geen rekening kunnen houden met artikel 1.5a van de Invoeringswet Wabo en op basis van het toen geldende recht het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak toch niet, omdat dat ertoe zou leiden dat er geen inhoudelijk oordeel meer zou worden geveld over de geweigerde ontheffing.

Rechtbank Zwolle 19 december 2011, LJN: BU 9660
Uitleg artikel 1.5, eerste lid Invoeringswet Wabo. Op grond van dat artikel wordt een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro gelijk gesteld aan een omgevingsvergunning. De rechtbank bepaalt dat uit het overgangsrecht bij de Wro volgt dat vrijstellingen ex artikel 19 lid 1 en lid 2 van de WRO hun werking ook na de inwerkingtreding van de Wro hebben behouden. Een redelijke wetsuitleg van het overgangsrecht brengt met zich dat vrijstellingen ex artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO ook kunnen gelden als oorzaak voor toekenning van planschade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wro.

Afdeling bestuursrechtspraak 13 oktober 2010, 201001932/1LJN: B00230
Beroep tegen een revisievergunning ex artikel 8.4 Wm (oud), die op 14 januari 2010 door GS is verleend. De Afdeling oordeelt dat de Wabo niet van toepassing is op het geding, omdat de aanvraag om vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. Dit volgt immers uit artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo.
Zie ook: Afdeling bestuursrechtspraak 10 november 2010, 201001917/1, LJN: BO3515, 201000284/1, LJN: BO3517 en 201000448/1, LJN: BO3518

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 21 oktober 2010, 201007720/1, LJN: BO1839
Bezwaar tegen een verklaring ex artikel 8.19 lid 1 sub c Wm (oud), op grond waarvan het bevoegd gezag de meldingsplichtige verandering heeft geaccepteerd. Hangende de bezwaarprocedure wordt een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De verklaring als bedoeld in artikel 8.19 lid 1 onder c van de Wm (oud) dateert van 28 juni 2010. De voorzitter overweegt dat de Wabo niet op het geding van toepassing is en verwijst hierbij naar artikel 1.2 b van de Invoeringswet Wabo. Uit dat artikel volgt dat de Wabo niet van toepassing is, omdat voor 1 oktober 2010 een melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid onder b, van de Wet Milieubeheer (oud) is gedaan.
Zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 27 oktober 2010, 201005074/1, LJN: BO1843

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 10 november 2010, 201010316/1, LJN: BO4192
Hangende bezwaar tegen een last onder dwangsom van na 1 oktober 2010 - opgelegd voor het zonder milieuvergunning wijzigen van een inrichting - is een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem. Die zendt het verzoek door aan voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak. De voorzitter oordeelt op grond van de Wabo en de invoeringswet dat het veranderen van een inrichting moet worden aangemerkt als activiteit als bedoeld in de Wabo. Uit artikel 20.1, lid 1 en 3 Wm., zoals dit sinds 1 oktober 2010 luidt, vloeit voort dat tegen besluiten op grond van de Wabo geen beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling. Artikel 1.6 Invoeringswet bepaalt dat het oude recht van toepassing is indien vóór het tijdstip waarop de Wabo in werking treedt, met betrekking tot een activiteit een last onder dwangsom is gegeven. De voorzitter oordeelt dat artikel 1.6 niet van toepassing is omdat de last onder dwangsom dateert van na de inwerkingtreding van de Wabo. Hij verklaart zich onbevoegd en zendt het verzoek terug aan de voorzieningenrechter.

Afdeling bestuursrechtspraak 1 december 2010, 201005746/1, LJN: BO5708
Er worden 13 handhavingsverzoeken ingediend tegen een loon-, dors- en akkerbouwbedrijf. Bij besluit van 9 februari 2009 wijst het college deze verzoeken af en bij beslissing op bezwaar van 27 april 2010 worden de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op bezwaar wordt beroep aangetekend bij de Afdeling. De Afdeling oordeelt dat de Wabo niet van toepassing is op deze zaak, gelet op het bepaalde in art. 1.6 lid 1 Invoeringswet Wabo. Het besluit waarbij het college weigerde handhavend op te treden, is immers van voor de inwerkingtreding van de Wabo.In vergelijkbare zin Afdeling bestuursrechtspraak 9 maart 2011, 201005709/1, LJN:BP7124, 9 maart 2011, 201009446/1, LJN: BP7126, 16 maart 2011, 201007140/1, LJN: BP7812 en 201005763/2, LJN: BP7816 betreffende de afwijzing van een verzoek om handhavend optreden waarop voor de inwerkingtreding van de Wabo een besluit is genomen.

Afdeling bestuursrechtspraak 6 december 2010, 201011575/2, LJN: BO6580
Beroep tegen besluit tot ontheffing van een Provinciale Milieuverordening. Niet in overgangsrecht voorzien bij de wijziging van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer inzake beroep bij de administratieve rechter. Gelet daarop gaat de Afdeling ervan uit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat, indien beroep is ingesteld tegen een besluit dat na 30 september 2010 op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de rechtbank bevoegd is op dat beroep te beslissen, ook als het ontwerpbesluit vóór 1 oktober 2010 ter inzage is gelegd. Omdat het besluit na 30 september 2010 is bekendgemaakt, is de rechtbank en niet de Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd kennis te nemen van het beroep. Zie ook: Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 3 december 2010, 201011282/2, LJN: BO6653

Rechtbank ’s-Gravenhage 19 april 2011, LJN: BQ3195
Een vergelijkbare uitspraak, maar dan met betrekking tot maatwerkvoorschriften. Op 26 januari 2011 heeft een college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 8.42 Wm en artikel 2.20, 5e lid, Besluit algemene regels voor inrichting en milieubeheer (Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld voor een brandstofverkooppunt. Hangende bezwaar vraagt de exploitant om een voorlopige voorziening, en wel bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. De voorzieningenrechter overweegt dat, nu het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, is bekend gemaakt ná 30 september 2010, de rechtbank bevoegd is om op het beroep –dus ook op een verzoek om voorlopige voorziening- te beslissen. Bij Invoeringswet Wabo is namelijk artikel 20.1 Wm zodanig gewijzigd dat beroep tegen een besluit als bedoeld in artikel 8.42 Wm niet ingediend wordt bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar bij de rechtbank. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen aan de ene kant Afdeling en de andere kant rechtbanken met betrekking tot dergelijke besluiten het tijdstip bepalend heeft willen achten waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

Afdeling bestuursrechtspraak 8 december 2010, 201004264/1, LJN: BO6654
Beroep tegen besluit ex artikel 8.23, eerste lid, Wet milieubeheer. Omdat het ontwerpbesluit voor de inwerkingtreding van de Wabo ter inzage is gelegd, is oud recht van toepassing. Dit volgt uit artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet.

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 13 december 2010, 201009023/1 en 201009023/2, LJN: BO8310
Beroep tegen gedeeltelijke intrekking van een milieuvergunning. Uit artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet, volgt dat oud recht van toepassing is, omdat het besluit tot intrekking van de vergunning voor inwerkingtreding van de Wabo niet onherroepelijk was. In vergelijkbare zin Afdeling bestuursrechtspraak 8 december 2010, 200910054/1, LJN: BO6611 betreffende een besluit tot verlening van een milieuvergunning.

Afdeling bestuursrechtspraak 22 december 2010, 201002058/1, LJN: BO8258
Oud recht is van toepassing wanneer het besluit tot handhaving voor de inwerkingtreding van de Wabo is genomen. Dit volgt uit artikel 1.6, eerste lid van de Invoeringswet. Die bepaling moet aldus worden uitgelegd dat deze op gelijke wijze van toepassing is op een besluit waarbij wordt besloten tot het toepassen van handhavingsmaatregelen, als tot het afwijzen van een daartoe strekkend verzoek.

Dit geldt ook wanneer het primaire besluit tot afwijzing van een handhavingsverzoek is genomen voor 1 oktober 2010, en de beslissing op bezwaar inzake het handhavingsverzoek na 1 oktober 2010. Zie Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 16 februari 2011, LJN: BP5789. De voorzieningenrechter meent namelijk dat ervan moet worden uitgegaan dat voor de toepassing van artikel 1.6 Invoeringswet Wabo de datum van het eerste (primaire) besluit over handhaving bepalend is. Zie voor deze uitleg ook Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 30 november 2010 in zaak nr. 201011259/2, LJN:BO6805, waarin de Voorzitter zichzelf onbevoegd verklaart, omdat het eerste (primaire) handhavingsbesluit met betrekking tot een activiteit in de zin van de Wabo werd genomen na 1 oktober 2010. Zie voor deze uitleg ook
Afdeling Bestuurrechtspraak 2 mei 2012 in zaaknummer 201109369/1/A1, LJN: BW 4518, waarin de Afdeling duidelijk oordeelde dat voor de toepassing van artikel 1.6 lid 1 Invoeringswet Wabo niet van belang is wanneer de overtreding is aangevangen, maar slechts wanneer het handhavingsbesluit is genomen.

Afdeling bestuursrechtspraak 14 februari 2011, 201100368/2, LJN: BP5424
Betoog dat een milieuvergunning na 1 oktober 2010 geldt als omgevingsvergunning die niet meer op grond de Wet milieubeheer kan worden ingetrokken faalt. De Voorzitter stelt vast dat de aanvraag tot intrekking van de milieuvergunning is ingediend voor 1 oktober 2010, zodat op grond van artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo het oude recht van toepassing blijft.

Rechtbank Utrecht 7 november 2011, LJN: BU5170
Betreft een besluit tot afwijzing van een handhavingsverzoek. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 30 november 2010 (LJN:BO6805) overweegt de rechtbank dat het overgangsrecht van artikel 1.6 Wabo op gelijke wijze van toepassing is op een besluiten tot het toepassen van handhavingsmaatregelen als op een besluit tot afwijzing van deze maatregelen. Omdat het primaire besluit is genomen vóór 1 oktober 2010, blijft het oude recht daarop van toepassing. Echter, indien op grond van dat oude recht in beroep moet worden geconcludeerd tot vernietiging, moet bij de nieuwe beslissing op bezwaar worden uitgegaan van het nieuwe recht. Indien de activiteit onder de Wabo omgevingsvergunningsvrij is, zal om deze reden aan het einde van de rit alsnog van handhaving moeten worden afgezien reeds omdat na 1 oktober 2010 sprake is van een legale situatie. Volgens de rechtbank is de activiteit waarop het handhavingsverzoek is gericht onder de Wabo omgevingsvergunningvrij. Zij verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire besluit niet tot het door de eiser gewenste resultaat kan leiden.

Slopen

Afdeling bestuursrechtspraak 16 maart 2011, 201006995/1, LJN: BP7813
Beroep tegen bestemmingsplan in verband met functiewijziging een van pand in beschermd dorpsgezicht. Functiewijziging werkt volgens appellant sloop en teloorgang in de hand. De Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan waarin regels zijn vervat voor de nieuwe functie en behoud en herstel van de ruimtelijke structuur bezien in samenhang met artikel 2.1, aanhef en onder h, en artikel 2.16 van de Wabo voldoende waarborg bieden voor het behoud van het historische straatbeeld.

Toegang tot de procedure (artikel 6:13 Awb; onderdelenfuik)

Afdeling bestuursrechtspraak 9 maart 2011, 201006983/1 , LJN: BP7155
Beroep tegen een revisievergunning ex artikel 8.4 Wm (oud). Hoewel de Wabo op dit geding niet van toepassing is, beantwoordt de Afdeling in het belang van de rechtspraktijk de vraag of de rechtspraak inzake artikel 6:13 van de Awb moet worden voortgezet voor besluiten die zien op activiteiten die voorheen milieuvergunningplichtig waren. Sinds de uitspraak van 1 november 2006 (200602308/1) hanteert de Afdeling in dergelijk gedingen de ‘onderdelenfuik’: een belanghebbende kan geen beroep instellen tegen onderdelen van het besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Daarbij werden de verschillende categorieën van milieugevolgen als onderdelen bedoeld in artikel 6:13 Awb aangemerkt. Onderhavige uitspraak brengt in die lijn een wijziging teweeg. Onder verwijzing naar de tekst en de geschiedenis van de Wabo oordeelt de Afdeling dat categorieën van milieugevolgen voor de toepassing van artikel 6:13 Awb niet langer meer als besluitonderdelen worden aangemerkt. Ook in lopende procedures inzake milieuvergunningen zal de Afdeling (bij beroepen tegen besluiten die op of na 1 april 2011 op de voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt) omwille van de rechtseenheid de nieuwe lijn volgen.

Toetsing

Voorzieningenrechter rechtbank Breda 20 april 2011, LJN: BQ 2482
Op 17 januari 2011 verleent het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning voor het oprichten van een winkelcentrum met kantoren. Daartegen wordt bezwaar ingediend, alsmede een verzoek om voorlopige voorziening. De omgevingsvergunning borduurt voort op een in juni 2010 vastgesteld bestemmingsplan, waartegen een verzoek om voorlopige voorziening was ingediend dat is afgewezen. Een beroepsprocedure tegen het bestemmingsplan loopt nog ten tijde van de uitspraak hier aan de orde. De omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening, ingediend tegen de omgevingsvergunning, af. Allereerst overweegt de voorzieningenrechter daartoe dat verzoekster –een winkeliersvereniging- geen rechtstreeks belang heeft bij het bestreden besluit. Ten tweede overweegt de voorzieningenrechter dat de toets voor verlening van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.10 Wabo beperkt is, net zoals die toets voor de bouwvergunning onder het regime van de Woningwet beperkt was (limitatief imperatieve stelsel). Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat een van de weigeringsgronden zich voordoet. Voor zover dus al sprake is van een ontvankelijk bezwaar, zijn er geen gronden voor schorsing.

Rechtbank Zwolle 21 september 2011, LJN: BT2563
Een aanvraag om een lichte bouwvergunning vóór de inwerkingtreding is afgewezen voor de inwerkingtreding van de nieuwe Wabo. Reden daarvoor is dat het college niet wilde meewerken aan de verlening van de benodigde ontheffing ex artikel 3.23 Wro. Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar wordt niet ontvankelijk verklaard, omdat het eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn is ingediend. Een na de inwerkingtreding van de Wabo ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning voor hetzelfde bouwplan wordt vervolgens afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb en omdat aanvrager bij de nieuwe aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft vermeld. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb (onder verwijzing naar Afdeling bestuursrechtspraak 10 augustus 2005, 200408800, LJN: AU0764 en de overwegingen daaruit inzake de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4:6 Awb) De aanvraag ziet immers op een vergunning die berust op een andere wettelijke grondslag dan de eerder aangevraagde vergunning. Bovendien is sprake van nieuw recht. De formulering van artikel 2.10 lid 2 Wabo, dat de vergunning slechts geweigerd wordt indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is, lijkt te wijzen op een beperktere wijzigingsmogelijkheid dan voorheen, in vergelijking met de grote vrijheid die het college had om al dan niet ontheffing te verlenen.

Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2011, LJN: BU2144
Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor met het bestemmingsplan strijdig bouwen en gebruik. De rechtbank overweegt dat het college beleidsvrijheid heeft bij de beslissing al dan niet vrijstelling te verlenen en dat de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2011 LJN: BR6911) niet is gewijzigd door de invoering van de Wabo.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 17 november 2011, LJN: BU5293
In deze zaak is een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan de orde (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a Wabo). De voorzieningenrechter wijst op het dwingende karakter van de toetsingsgronden in artikel 2.10, eerste lid, Wabo. Indien een bouwactiviteit strijdt met deze toetsingsgronden (waaronder het bestemmingsplan) moet de gevraagde omgevingsvergunning worden geweigerd. Deze moet worden verleend in het geval dat de bouwactiviteit voldoet aan de in het eerste lid van artikel 2.10 Wabo bedoelde toetsingsgronden

Rechtbank Middelburg 2 februari 2012
Deze zaak gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een brandweerkazerne. Naar aanleiding van een beroep benadrukt de rechtbank dat een omgevingsvergunning voor het bouwen (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo) indien – kort gezegd – het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan, de algemene regels van provincie of rijk of de redelijke eisen van welstand. Het gaat hier om een limitatieve opsomming, en de weigeringsgronden hebben bovendien een imperatief karakter. Dat wil zeggen dat de omgevings vergunning moet worden geweigerd indien het bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met een of meer in de weigeringgronden neergelegde voorschriften. Andersom moet het bouwplan, wanneer dat in overeenstemming is met de voorschriften, worden vergund. Hiermee bevestigt de rechtbank Middelburg wederom de voortzetting van het limitatief imperatieve regime. Verder acht de rechtbank in deze zaak een afwijking van de VNG-bronchure “Bedrijven en Milieuzonering” aanvaardbaar . In plaats van de 50 meter ten opzichte van belendende bebouwing, was in casu een afstand van 10 meter aangehouden tussen de brandweerkazerne en de dichtstbijzijnde woning. Hoewel in het bestreden besluit die afwijking niet voldoende was gemotiveerd, voldoet de ter zitting gegeven toelichting naar het oordeel van de rechtbank wel.

Uitleg Bor

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 30 september 2011, LJN: BT6934
Betreft een beroep tegen een verleende bouwvergunning voor een overkapping. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwwerk thans niet omgevingsvergunningplichtig is, zodat eiser niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren bij een gegrond beroep. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en verklaart het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. In het kader van de vaststelling dat de overkapping vergunningvrij is overweegt de rechtbank dat de artikel 2, aanhef en derde lid, onder a. en b. van bijlage II bij in het Bor genoemde situaties (met betrekking tot de 2,5 meter zone) complementair (kunnen) zijn. Artikel 7 van bijlage II bevat vervolgens een regeling ingeval de samenloop in één (bijbehorend) bouwwerk van de in genoemd artikel, onder a. en b., beschreven situaties zich voordoet. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de Parlementaire Geschiedenis van het Bor (zie de Nota van Toelichting bij het Besluit, Staatsblad 2010/143, p.143).

Voorzieningenrechter rechtbank Almelo 7 oktober 2011, LJN: BT6950
Betreft een handhavingsverzoek tegen onder meer de uitbreiding van een bedrijfsgebouw, dat werd afgewezen. De voorzieningenrechter merkt het bestaande bedrijfsgebouw aan als hoofdgebouw en oordeelt dat het nieuwe bedrijfsgebouw daarvan een uitbreiding vormt en daarmee functioneel is verbonden. Om die reden dient het nieuwe bedrijfsgebouw te worden aangemerkt als bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor. Nu in het Bor geen voorwaarden zijn opgenomen over de onderliggende verhoudingen in de afmetingen van het hoofdgebouw en het bijbehorende gebouw, mag het bijbehorende gebouw groter zijn dan het hoofdgebouw. Het bijbehorende gebouw mag daarom vergunningvrij worden gebouwd. De vraag of artikel 6 van bijlage II Bor van toepassing is laat de voorzieningenrechter onbeantwoord, onder de overweging dat dit naar voorlopig oordeel niet tot de conclusie zal leiden dat niet vergunningvrij mag worden gebouwd.

Afdeling bestuursrechtspraak 26 oktober 2011, 201103159/1, LJN: BU1640
Betreft verlening van een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bouwmarkt en tuincentrum tot een zogenoemde Plan-it bouwmarkt, met drive-in. Het college van burgemeester en wethouders heeft ten behoeve van het bouwplan omgevingsvergunning verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Daartoe is toepassing gegeven aan 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wabo, welk artikel verwijst naar categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II. De opsomming in artikel 4 wordt veelal beschouwd als een lijst met planologische kruimelgevallen, als ‘opvolger’ van artikel 4.1.1 Bro. De Afdeling oordeelt dat blijkens de tekst van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de Wabo niet is beoogd om de afwijkingsmogelijkheid van het bestemmingsplan te beperken tot planologisch ondergeschikte gevallen. Toepassing van de bevoegdheid is uitsluitend beperkt tot de categorieën van gevallen, genoemd in artikel 4 van de bij het Bor behorende Bijlage II. De Afdeling overweegt dat uit artikel 4, aanhef en eerste lid, van de bij het Bor behorende Bijlage II, noch uit de geschiedenis van totstandkoming daarvan, blijkt dat beoogd is de toepassing van deze bepaling te beperken tot één bijbehorend bouwwerk per perceel of aanvraag om omgevingsvergunning. Ook de definitiebepaling van ‘bijbehorend bouwwerk’ duidt er niet op dat de toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, is beperkt tot één bijbehorend bouwwerk. De verleende omgevingsvergunning die is verleende voor de verschillende onderdelen van het bouwplan (verbouw bouwmarkt en tuincentrum en oprichten drive-in), past volgens de Afdeling binnen de in artikel 4, aanhef en eerste lid, van Bijlage II van het Bor bedoelde gevallen. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de drive-in in planologisch opzicht is gerelateerd aan het gebruik van het hoofdgebouw als bouwmarkt en derhalve functioneel. Verder verwerpt de Afdeling het betoog dat een omgevingsvergunning krachtens 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º van de Wabo, alleen kan worden verleend voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk en niet voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken daarvan. Volgens de Afdeling dient artikel 2.1., eerste lid, onder c, Wabo ruim te worden uitgelegd, waarbij gebruiken niet alleen betrekking heeft op gebruik van gronden of bouwwerken, maar ook op het bouwen en slopen van bouwwerken in strijd met planologische regelgeving. Daarvoor vindt zij steun in de wetgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 953, nr. 3, blz. 46-47). Een andere uitleg zou daarbij onbedoelde beperkingen van de Wabo en de daarop gebaseerde regelgeving meebrengen.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 februari 2012, LJN: BV6331
Verlening van omgevingsvergunning voor het oprichten van een parkeergarage. De voorzieningenrechter oordeelt dat de parkeergarage kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 4 lid 1 van bijlage II bij het Bor en er dus een kruimelvergunning kan worden verleend. Hiervoor is van belang dat de parkeergarage en de terminal zich bevinden op een aaneengesloten en afgebakend terrein dat nagenoeg geheel wordt geëxploiteerd door vergunninghoudster. Er is daarom sprake van een perceel in de zin van artikel 1 lid 1 bijlage II bij het Bor. Het maakt niet uit dat het terrein uit verschillende kadastrale percelen bestaat.

Zo ook rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 februari 2012, LJN: BV6335.

Vergunningsvrij bouwen en gebruiken

Afdeling Bestuurrechtspraak 2 mei 2012, 2011,0538/1/R3, LJN: BW4539
Beroep tegen een bestemmingsplan en exploitatieplan. De afdeling oordeelt over de verhouding tussen artikel 3 van bijlage II van het Bor en de regels in het bestemmingsplan. In artikel 3 van bijlage II Bor zijn situaties opgesomd die zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht ex artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo en niet van de vergunningsplicht voor het gebruiken als bedoelt in artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo. Bij zodanige bouwwerken moet er dus nog wel aan het bestemmingsplan worden getoetst. De Afdeling stelt vast dat dat tot gevolg heeft dat een bestemmingsplan beperkingen kan stellen aan de mogelijkheid om vergunningsvrij te bouwen voor bouwwerken die voldoen aan de eisen van artikel 3 van bijlage II bij Bor. Met andere woorden, in een bestemmingsplan mogen beperkingen worden opgenomen ten aanzien van bouwwerken waarvoor nog een zogenoemde ‘c-vergunning’ benodigd is.
Zie voor deze uitleg ook Afdeling Bestuurrechtspraak 21 maart 2012, 201104232/1/R2, LJN BV9501.

Rechtbank Haarlem 28 maart 2011, LJN: BP9458
Weigering tijdelijke ontheffing en bouwvergunning voor het plaatsen van twee containers voor de opslag van landbouwwerktuigen. Aanvrager wilde op zijn gronden met een agrarische bestemming tijdelijk twee zeecontainers plaatsen; ondertussen liep ook een procedure voor een definitieve opslagloods. Burgemeester & Wethouders hadden de tijdelijke ontheffing en bouwvergunning geweigerd. Eiser stelde in beroep dat hij niet ontvankelijk was omdat het plaatsen van zeecontainers onder de Wabo inmiddels vergunningvrij was geworden. De rechtbank volgt hem niet in zijn betoog. Op grond van de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (bijlage II) is het niet mogelijk om zonder omgevingsvergunning te bouwen in het geval dat het gebruik van het hoofdgebouw niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Uit de toelichting blijkt voorts dat een bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw en derhalve ondersteunend aan het gebruik van het hoofdgebouw. Er kan naar de mening van de rechtbank geen sprake zijn van in planologisch opzicht gerelateerd gebruik of van ondergeschikt en ondersteunend gebruik van het hoofdgebouw, wanneer het gebruik van het hoofdgebouw niet meer in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Het plaatsen van zeecontainers is dan ook niet vergunningvrij (geworden). Omdat verder bouwvergunningverlening voor een opslagloods geenszins zeker is, is ook de tijdelijke ontheffing terecht geweigerd, aldus de rechtbank.

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 27 juli 2011, 201009516/1, LJN: BR3199
Geschil omtrent de uitbouw van een woning op het achtererf. De Afdeling stelt vast dat de in de bij het Bor behorende bijlage II gegeven definitie van erf gelijk is aan die bij het Bblb. Realisering van het bouwplan heeft tot gevolg dat het achtererfgebied voor meer dan 50% zal zijn bebouwd, zodat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder e van de bij het Bor behorende bijlage II.

Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch, 22 oktober 2010, LJN: BO 2154
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oss heeft bij besluit van 18 januari 2010 een reguliere bouwvergunning verleend voor het bouwen van een tuinpaviljoen. Een omwonende stelt beroep in tegen de beslissing op bezwaar waarbij de bouwvergunning in stand is gelaten en dient een verzoek om voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter toetst ambtshalve of de omwonende nog een procesbelang heeft bij het beroep. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het oprichten van het tuinpaviljoen onder de Wabo geen (omgevings)vergunning (meer) vereist is en omwonende daarom geen procesbelang heeft. Als het klopt dat het vergunninghouder onder de Wabo vrij staat het tuinpaviljoen zonder omgevingsvergunning te bouwen, dan kan verzoeker door het beroep en het verzoek niet in een gunstigere positie komen te verkeren. De voorzieningenrechter gaat na of het onderhavige bouwwerk inderdaad kan worden aangemerkt als een vergunningsvrij bouwwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste lid van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (sub a) of het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (sub c). Op grond van artikel 2.1, derde lid van de Wabo wordt bij AMvB bepaald in welke gevallen het verbod ex artikel 2.1 lid 1 Wabo niet geldt. Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van het Bor is geen omgevingsvergunning vereist voor de activiteit bouwen in de categorieën van gevallen zoals omschreven in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II bij het Bor. De voorzieningenrechter oordeelt dat het tuinpaviljoen kan worden aangemerkt als een categorie als bedoeld in deze artikelen. Als het bouwwerk ook in overeenstemming is met het bestemmingsplan, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen omgevingsvergunning vereist. De voorzieningenrechter oordeelt dat (alleen) als het bouwwerk in overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan, het bouwen van een bouwwerk niet mede een (omgevingsvergunningsplichtige) activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder c, van de Wabo behelst. Niet in geschil is dat het beoogde bouwwerk voldoet aan het bepaalde in artikel 3, van bijlage II bij het Bor en dat het tuinpaviljoen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Dit betekent dat verzoeker door het instellen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet in een gunstigere positie kan geraken, zodat procesbelang ontbreekt. Het beroep en het verzoek worden niet ontvankelijk verklaard.

Zo ook voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 16 februari 2011, LJN: BP5782. Ook in deze zaak constateerde de voorzieningenrechter dat inmiddels na inwerkingtreding van de Wabo het betreffende bouwwerk ook zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Er is namelijk sprake van een bijbehorend bouwwerk, ook al is de woning zelf nog niet opgericht. Verzoekers kunnen door het instellen van het beroep niet meer in een gunstigere positie geraken, zodat het procesbelang ontbreekt.

Rechtbank Almelo 20 april 2011, LJN: BQ2559
Hier ging het om een vrijstelling ex artikel 19 WRO en bouwvergunning voor het bouwen van een overkapping. Naar aanleiding van een beroep daartegen ziet de rechtbank Almelo aanleiding om te bezien in hoeverre nog belang bestaat bij een beoordeling van een rechtmatigheid van het bestreden besluit. Wanneer het bouwplan onder figuur van de Wabo omgevingsvergunningvrij is, is het processuele belang immers vervallen. De rechtbank oordeelt allereerst dat de overkapping kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied dat bovendien voldoet aan de maximale hoogte van vijf meter (artikel 3, onderdeel 1, bijlage II Bor). Voor het bouwen is dan ook geen omgevingsvergunning nodig in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, Wabo. Vervolgvraag is of een omgevingsvergunning nodig is als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder c, Wabo (bouwplan in strijd met bestemmingsplan; deze toets dient bij toepassing van artikel 3, bijlage II Bor wél plaats te vinden, anders dan bij artikel 2 Bor-situaties).

Het bestemmingsplan bepaalde dat de maximale gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen 75 m² bedraagt. De rechtbank bepaalt dat in beginsel alle op het perceel aanwezige bebouwing dient te worden meegerekend bij de beantwoording van de vraag of is voldaan aan de bouwvoorschriften van het bestemmingsplan. Een uitzondering geldt voor bouwwerken die onder de Wabo ook zonder omgevingsvergunning kunnen worden gebouwd wanneer het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan (artikel 2, bijlage II, Bor-activiteiten). De verschillende uitbouwen die voldoen aan artikel 2, lid 3 van bijlage II Bor rekent de rechtbank dan ook niet mee bij het bepalen van de (maximale) oppervlakte en toetsing aan het betreffende bouwvoorschrift uit het bestemmingsplan. Het weglaten van die oppervlakte leidt er vervolgens toe dat met het oprichten van de overkapping nog steeds gebleven wordt binnen de maximale oppervlakte van 75 m². Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 30 november 2010, LJN: BO6418
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen last onder bestuursdwang wegens zonder vergunning aangebrachte rolluiken. Voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van omgevingsvergunningsvrij bouwen, omdat het bouwwerk niet voldoet aan de criteria vermeld in artikel 2, lid 8, aanhef en onder a en b van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarvoor is van belang dat de rolluiken aan de buitenzijde van het pand zijn aangebracht en voorts dat het betrokken pand in beschermd stadsgezicht staat. Geen concreet uitzicht op legalisatie, omdat de rolluiken volgens het welstandsadvies in strijd zijn met redelijke eisen van welstand.

Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 14 december 2010, LJN: BO7240
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen besluit tot afwijzing handhavend optreden tegen bouw skatebaan. Start van de bouw voor inwerkingtreding van de Wabo. Afwijzend besluit van na inwerkingtreding Wabo. Voorzieningenrechter toetst of skatebaan aan vergunningsplicht is onderworpen. Uit artikel 8 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist is, indien die activiteiten betrekking hebben op het bouwen van een bouwwerk dat reeds was aangevangen voor de inwerkingtreding van de Wabo en op het tijdstip waarop met dat bouwen is begonnen daarvoor krachtens de Woningwet geen bouwvergunning was vereist. Naar voorlopig oordeel van de Voorzieningrechter was onder de Woningwet geen bouwvergunning vereist.

Voorzieningenrechter rechtbank Breda 16 februari 2011, LJN: BP4832
Verzoek om schorsing van een omgevingsvergunning voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Verzoeker betoogt dat de aanvraag niet voldoet aan hoofdstuk 2 van het Mor, waarin de indieningsvereisten voor bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn opgenomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van artikel 3, eerste lid, van bijlage II alleen een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet is vereist als het gaat om een bijbehorend bouwwerk in een achtererfgebied en als het bouwwerk niet hoger is dan 5 meter. Nu het desbetreffende bouwwerk een nokhoogte zal krijgen van 5 meter stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen omgevingsvergunning is benodigd voor de bouwactiviteit maar dat de omgevingsvergunning uitsluitend is benodigd voor de afwijking van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter vervolgt dat dat betekent dat hoofdstuk 2 van de Mor niet van toepassing is op de aanvraag. Alleen hoofdstuk 3 van de Mor is van toepassing. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat de afwijking van artikel 3.2, sub d, van de Mor, waarin kort gezegd is opgenomen dat de aanvraag een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand dient te bevatten, geen aanleiding vormt voor de schorsing van de omgevingsvergunning. Dit omdat naar verwachting ook het beoogde bouwplan, dat qua situering 15 centimeter afwijkt van de ingediende situatietekening, zou kunnen worden vergund.

Rechtbank Roermond 15 maart 2011, LJN: BP8237
In geschil is de vraag of en duivenhok een vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk is. De planologische bestemming van de betreffende gronden is ingevolge het van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘woondoeleinden’. In overeenstemming met die bestemming is het hoofdgebouw op die gronden een woning. Om ter zake van het duivenhok te kunnen spreken van een bijbehorend bouwwerk bij die woning, moet dit duivenhok ingevolge artikel 1 van bijlage II bij het Bor, gelet op Nota van Toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 132 e.v.), gerelateerd zijn aan het gebruik van de woning in die zin dat sprake is van vergroting van het woongenot van vergunninghouder. Zoals de rechtbank Rotterdam in haar uitspraak van 28 december 2004 (LJN: AS3612) heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van het begrip ‘woongenot’ met zich mee dat het woongenot niet uitsluitend tot de woning zelf beperkt is, maar ook in ieder geval betrekking heeft op het bij de woning behorende perceel en in zekere mate de directe leefomgeving. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omvang en de nokhoogte van het duivenhok alsmede op de hoeveelheid gehouden duiven, sprake is van een hobbymatig gebruik van het bouwwerk en daarmee van een vergroting van het woongenot van eiser. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het vereiste van een functionele verbondenheid met het hoofdgebouw zodat het duivenhok gekwalificeerd kan worden als een bijbehorend bouwwerk in de zin van artikel 1 van bijlage II bij het Bor. De rechtbank stelt verder vast dat het duivenhok met de huidige afmetingen binnen de maatvoering van het bestemmingsplan. Derhalve is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Bor in samenhang met artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II per 1 oktober 2010 geen omgevingsvergunning is vereist.

Afdeling bestuursrechtspraak 24 augustus 2011, 201010526/1, LJN: BR5671
In hoger beroep gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder andere in op de interpretatie van artikel 2, aanhef en onder 3, onderdeel b, onder 2 van de bij het Bor behorende bijlage II. Daarin is bepaald dat geen omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c (bouwen en gebruik in strijd met het planologisch regime) Wabo niet is vereist wanneer die activiteiten betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied mits voldaan wordt aan de eis dat voor zover de activiteit plaatsvindt op een afstand van meer dan tweeënhalve meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw, de oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van één meter van een naburig erf niet meer dan 10 m² mag bedragen. De Afdeling oordeelt dat de oppervlakte-eis van 10 m² geen betrekking heeft op het gehele bijbehorende bouwwerk, maar slechts op het gedeelte van het bouwwerk, voor zover dat is gelegen binnen een afstand van één meter vanaf een aan de zij- of achterkant gelegen naburig erf. Ter onderbouwing verwijst de Afdeling naar de Nota van toelichting bij het Bor.

Rechtbank Arnhem 23 augustus 2011, LJN: BR6846
De rechtbank Arnhem toetst een eventuele omgevingsvergunningplicht aan de hand van het Bor. Het gaat in deze zaak om een in een carport geplaatste flexibele wand en een tegen een woning aan geplaatste constructie met licht doorlatend dak. Voor wat betreft de flexibele wand oordeelt de rechtbank dat die niet kan worden beschouwd als rolhek, luik of rolluik in de zin van artikel 2 (onder 8) van bijlage II bij het Bor: bij zo’n rolhek, luik of rolluik moet het naar het oordeel van de rechtbank gaan om een afscheiding die aanvullend is op een al bestaande scheidingsconstructie. In dit geval vormde de flexibele wand zélf een zelfstandige scheidingsconstructie. Omdat sprake is van een bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning, kan ook artikel 2, onder 3 van bijlage II niet van toepassing zijn. Vervolgens komt de vraag aan de orde of artikel 3 van bijlage II een uitzondering op de vergunningsplicht aanbrengt (voor het bouwen). De rechtbank oordeelt dat hier sprake is van een bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied. Er is dus geen omgevingsvergunning vereist voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo. Wel doet zich dan de vervolgvraag voor of voor die wand een omgevingsvergunning vereist is in verband met strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat geen sprake is strijdigheid. Ten aanzien van het licht doorlatende dak oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een zonwering als bedoeld in artikel 2, onderdeel 8 van bijlage II, omdat geen sprake is van een constructie die rechtstreeks is bevestigd aan de gevel. Op grond van artikel 3 van bijlage II is de overkapping wel te kwalificeren als bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied waardoor geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo. Omdat sprake is van strijd met het bestemmingsplan, is echter toch een omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1, aanhef en onder c Wabo vereist.

Afdeling bestuursrechtspraak 13 juli 2011, 201010732/1, LJN: BR1462
In deze zaak was een lichte bouwvergunning verleend voor het realiseren van een berging op een achtererf met een oppervlakte van 23 m2, een bouwhoogte van 3 meter en een plat dak. In beroep wordt de beslissing op bezwaar, waarbij de bouwvergunning in stand was gelaten, vernietigd. In hoger beroep bij de Raad van State komt aan de orde dat het bouwwerk inmiddels vergunningvrij is (artikel 2, aanhef en derde lid onder b, van bijlage II Bor). Omdat voor de berging geen omgevingsvergunning meer vereist is, zal het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda dan ook niet worden behandeld en is dat niet ontvankelijk.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 september 2011, LJN: BT6934
Deze uitspraak ziet op een omgevingsvergunning voor de bouw van een overkapping bij een woning die gedeeltelijk op een afstand van minder dan 2,5 meter van de woning ligt en gedeeltelijk op een afstand van meer dan 2,5 meter daarvandaan. Uit de redactie van artikel 2 aanhef en derde lid sub a. en b. bijlage II Bor, blijkt reeds dat de beide situaties complementair kunnen zijn. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van het Bor (NvT, Stb. 2010/143, p. 143) overweegt de rechtbank dat artikel 7 van bijlage II Bor, een regeling bevat ingeval de samenloop van de onder a. en b. genoemde situatie zich voordoet. Aan de hand van een feitelijke toets aan voornoemde artikelen komt de rechtbank tot het oordeel dat voor de overkapping geen omgevingsvergunning is vereist.

Afdeling bestuursrechtspraak 28 september 2011, 201011584/1, LJN: BT2846
College stelt zich op het standpunt dat een toegangsdeur en balustrade die toegang geven tot een dakterras op een bestaande uitbouw omgevingsvergunningsvrij is. Daarbij verwijst het naar artikel 2 lid 7, Bijlage II Bor. De Afdeling gaat daarin niet mee. Daarbij wijst de Afdeling op de functionele samenhang tussen de toegangsdeur en de balustrade, die tezamen voorzien in de realisering van een dakterras op de bestaande uitbouw. Daardoor kon het bouwplan niet worden gesplitst in afzonderlijk en zelfstandig te beoordelen bouwwerken en moet het bouwplan als geheel worden beoordeeld.

Uitspraak van de rechtbank Utrecht 9 maart 2012, LJN: BV8412
De rechtbank buigt zich in deze uitspraak over de vraag of een aanbouw omgevingsvergunningvrij is. In concreto gaat het om de vraag of aan alle criteria zoals opgenomen in artikel 2, aanhef en derde lid, van bijlage II van het Bor (in welke gevallen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo geen vergunning nodig is). Aan het afstandsvereiste als ook het oppervlaktevereiste voor op de grond staande bijbehorende bouwwerken in een achtererfgebied (artikel 2, aanhef en derde lid, onder b, ten eerste en ten tweede) wordt voldaan. Problematisch ligt het echter waar het gaat om het berekenen van de totale oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken ten gevolge van het nieuw gerealiseerde bijbehorende bouwwerk. Omdat de aanbouw deels in de plaats is gekomen van de voormalige bijkeuken, volgt een rekensom waarbij de oppervlakte van de gehele aanbouw in aanmerking wordt genomen. De rechtbank constateert dat niet aan het vereiste wordt voldaan en komt tot vernietiging.

Vergunningplicht

Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 4 februari 2011, 201011900/1, LJN: BP3660
Beroep tegen milieuvergunning voor een windturbinepark. College betoogt dat procesbelang ontbreekt omdat op grond van het Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht per 1 januari 2011 geen vergunningplicht meer geldt. De Voorzitter stelt vast dat uit de toepasselijke wetgeving volgt dat alleen geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo is vereist, als geen milieu-effectrapport ten behoeve van de activiteit moet worden gemaakt. In dit geval is, mede gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van 15 oktober 2009 (zaaknummer C-255/08; http://www.curia.europa.eu/) niet op voorhand uitgesloten dat een milieu-effectrapportage is vereist. De voorzitter is vooralsnog van oordeel dat het Besluit omgevingsrecht en het Besluit milieueffectrapportage zo moeten worden uitgelegd dat een omgevingsvergunning is vereist wanneer het bevoegd gezag ten onrechte heeft besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De Voorzitter is er niet van overtuigd dat het college terecht heeft geoordeeld dat van het opstellen van een milieueffectrapport kon worden afgezien, zodat niet is uitgesloten dat een omgevingsvergunning is vereist. Verzoekers houden procesbelang.

Verhouding activiteiten

Afdeling Bestuursrechtspraak 2 mei 2012, 201011900/1/A4, LJN: BW 4511
Beroep tegen een oude milieuvergunning ex artikel 8.1 Wm. De Afdeling toetst in hoeverre het oprichten van 5 windturbines onder de huidige wetgeving vergunningplichtig is. Deze activiteit is hetzij vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e van de Wabo of als activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder i van de Wabo. De Afdeling stelt vast dat uit het Bor volgt dat voor het bepalen van de vergunningplichtigheid van een inrichting alleen wordt verwezen naar de activiteiten zoals genoemd in het Besluit mer en niet naar de ‘gevallen’ zoals genoemd in het Besluit mer. Verder stelt de Afdeling vast dat aan de hand van de ingediende aanvraag moet worden bepaald welk van beide vergunningplichten geldt. In eerste instantie moet een zogenoemde ‘i-vergunning’ worden aangevraagd. Pas als blijkt dat er een mer wordt opgesteld, moet alsnog een ‘e-vergunning’ worden aangevraagd. Het verschil is van belang voor het toetsingskader.

Ten aanzien van het procesbelang overweegt de Afdeling dat als het beroep gegrond zou worden verklaard, het oude recht van toepassing zou zijn op de aanvraag. Dat komt materieel gezien neer op de vraag of een ‘e-vergunning’ kan worden verleend. Dat kan niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever, want sinds de wetswijzigingen van 1 januari 2011 is er geen vergunning meer is vereist voor het oprichten van een windturbine park. Er is dan slechts nog een vergunning nodig als er geen mer hoeft te worden opgesteld. Een redelijke toepassing betekent volgens de Afdeling dat als vast komt te staan dat er op grond van het huidige recht slechts een ‘i-vergunning’ benodigd zou zijn, dan die weigeringgronden zouden moeten gelden. Nu vast staat dat er geen mer opgesteld hoeft te worden, is alleen de zogenoemde ‘i-vergunning’ benodigd. Deze vergunning kan op grond van artikel 5.13d van het Bor alleen worden geweigerd als een mer moet worden opgesteld. Nu vast staat dat geen mer gemaakt hoeft te worden, zou de vergunning niet geweigerd kunnen worden. Ten slotte bepaalt de Afdeling dat er aan een zogenaamde ‘i-vergunning’ geen voorschriften kunnen worden verbonden.

Voorschriften

Voorzieningenrechter rechtbank Breda 5 oktober 2011, LJN: BT6705
Betreft een verzoek om voorlopige voorziening inzake een besluit tot ambtshalve wijziging van een omgevingsvergunning op basis van artikel 2.30, eerste lid en 2.31, eerste lid van de Wabo (actualisering). Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften toegevoegd die technische maatregelen inhouden als bedoeld in artikel 5.6 Bor. Het betoog van verzoekster dat ten onrechte controlevoorschriften aan de vergunning zijn verbonden, zonder dat corresponderende doelvoorschriften zijn opgenomen, wordt door de voorzieningenrechter verworpen. Volgens de voorzieningenrechter betekent het gegeven dat aan doelvoorschriften controlevoorschriften moeten worden verbonden niet dat controlevoorschriften uitsluitend aan doelvoorschriften verbonden kunnen worden. In dit geval is toepassing gegeven aan de bevoegdheid van artikel 5.6, derde lid, om te vereisen dat verslag wordt gedaan over de uitvoering van technische maatregelen.

Verklaring van geen bedenkingen

Voorzieningenrechter rechtbank Haarlem 27 juni 2011, LJN: BQ9883
Omgevingsvergunning voor een tijdelijke activiteit (bouwweg). In artikel 6.5, derde lid, van het Bor staat – voor zover van belang – beschreven in welke gevallen een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan (…) niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij hiertegen geen bedenkingen heeft. In dit artikel wordt niet verwezen naar omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van het tweede lid van artikel 2.12, tweede lid, van de Wabo voor een bepaalde termijn wordt afgeweken. Derhalve is geen van verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist.

Voorbereidingsprocedure

Rechtbank Haarlem 6 juli 2011, LJN: BR1323
In geschil is de vraag of een vergunning van rechtswege is verleend, omdat de beslistermijn van de reguliere procedure is overschreden. De aanvraag voorziet in een verzoek tot wijziging van het gebruik van een bedrijfspand voor het wonen met een aan huis gebonden beroep. Beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen, omdat niet is gebleken van een bevoegdelijk gedane toezegging dat de reguliere procedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank vast dat het bestemmingsplan noch het Bor voorzien in een afwijkingsmogelijkheid. Daarom kan de omgevingsvergunning alleen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de Wabo worden verleend. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 Awb op de voorbereiding van een dergelijk besluit van toepassing. Gelet daarop kan geen sprake zijn van een van rechtswege verleende vergunning.

Rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 oktober 2011, LJN: BU1267
De rechtbank overweegt dat 3.10, eerste lid, van de Wabo dwingend voorschrijft in welke gevallen de uitgebreide voorbereidingsprocedure dient te worden gevolgd. Dat het college er op enig moment van uitging dat de reguliere procedure van toepassing was, is niet van belang. Het bestuursorgaan is, op grond van artikel 3.1, derde lid, van de Wabo, weliswaar verplicht om de aanvrager kenbaar te maken welke procedure van toepassing is, maar deze bepaling geeft geen bevoegdheid om voor de betrokken aanvraag van de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure af te wijken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis (Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 953, C, pagina 17).

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email

Voor juristen is een goed overzicht van de meest recente jurisprudentie van groot belang. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden, waardoor een groot aantal vergunningen zijn geïntegreerd in één vergunning: de omgevingsvergunning. We hebben de belangrijkste jurisprudentie die onder de Wabo is gewezen samengevat en op onze website geplaatst, zodat die door derden kan worden geraadpleegd. Het overzicht bevat de meest relevante jurisprudentie die is gepubliceerd op rechtspraak.nl en de website van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het overzicht wordt wekelijks geactualiseerd. U kunt het bestand inzien door de bijgevoegde PDF te openen. Wij hopen dat het u bij uw dagelijkse praktijk van nut zal zijn.



Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

 

Jan van der Grinten
Tel: +31 20 5506 852
E-mail: jan.van.der.grinten@kvdl.nl

Karien Lagrouw

Tel: +31 20 5506 844
E-mail: karien.lagrouw@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin