Jurisprudentie Wabo
Aanhaken
Rechtbank Almelo 7 maart 2012
LJN: BV8394
De voorzieningenrechter, uitspraak doende in de hoofdzaak, gaat in
op de vraag of het college van burgemeester en wethouders bij de
verlening van een omgevingsvergunning voor het vellen van
houtopstand terecht heeft afgezien van het aanhaken van de Flora en
faunawet besluitvorming die naar de mening van eisers noodzakelijk
is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college uit
onderzoek mogen afleiden dat het vragen van ontheffing in het kader
van de Flora en faunawet achterwege kan blijven, en terecht gemeend
dat het aanhaakstelsel van de Wabo in casu niet van toepassing is.
Wel wijst de rechtbank op de te allen tijde geldende zorgplicht op
het moment dat daadwerkelijk wordt overgegaan tot het vellen van de
bomen.
Aanhoudingsplicht
Afdeling bestuursrechtspraak 5 oktober 2011, 201002323/1,
LJN: BT6635
Gegrond beroep tegen een exploitatieplan, dat leidt tot
vernietiging van het vaststellingsbesluit. De Afdeling komt tot het
oordeel dat een aanhoudingsplicht geldt voor het kunnen verlenen
van een omgevingsvergunning voor bouwen en aanleggen ten behoeve
van een activiteit waarop een exploitatieplan van toepassing is,
indien er geen grond is de vergunning te weigeren en dat
exploitatieplan nog niet onherroepelijk is. Die in artikel 3.5 Wabo
neergelegde aanhoudingsplicht geldt bij gedeeltelijke vernietiging
van een exploitatieplan en ook voor een geheel vernietigd
exploitatieplan.
Afwijking
bestemmingsplan
Binnenplanse afwijking
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 1 april 2011,
201100375/2,
LJN: BQ0266
Vaststelling van het bestemmingsplan d.d. 30 september 2010. Het
bestemmingsplan is voor inwerkingtreding van de Wabo vastgesteld en
bevat een binnenplanse ontheffingsbevoegdheid. De procedure
daaromtrent in het bestemmingsplan bepaalt dat belanghebbenden in
de gelegenheid worden gesteld hun zienswijze omtrent de voorgenomen
ontheffing naar voren te brengen. De regeling is gebaseerd op
artikel 3.6 Wro (zoals dit artikel luidde vóór inwerkingtreding van
de Wabo). Verzoekers betogen dat de termijn van 2 weken voor het
indienen van zienswijze te kort is en dat die termijn gesteld zou
moeten worden op 6 weken. Voorzitter stelt vast dat na
inwerkingtreding van de Wabo artikel 3.6 Wro bepaalt dat bij
omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te
geven regels. De procedure van totstandkoming van zo’n
omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid is vanaf dat moment geregeld in
artikel 3.9 Wabo en die procedure voorziet niet in het kunnen
indienen van zienswijze. De voorzitter stelt vast dat de vraag of
aan de ontheffingsprocedure van het bestemmingsplan nog betekenis
toekomt, gelet op de procedure van artikel 3.9 Wabo, zich niet
leent voor beantwoording in een voorlopige voorzieningsprocedure.
Voorlopig meent de voorzitter in ieder geval wel dat de termijn
zoals die in het bestemmingsplan is opgenomen –er vanuit gaande dat
die een aanvullende werking hebben ten opzichte van de in artikel
3.9 Wabo- voorziet in een termijn van 2 weken welke termijn niet
onredelijk kort kan worden genoemd.
Rechtbank Dordrecht 16 september 2011,
LJN: BT6171
De regeling omtrent de te volgen procedure uit het
bestemmingsplan, vindt geen toepassing in geval voor de verlening
van de benodigde omgevingsvergunning in de Wabo een andere
procedure is voorgeschreven. In dit geval moet daarom op grond van
artikel 3.7 Wabo de reguliere procedure worden gevolgd en niet de
u.o.v. die het bestemmingsplan in onderhavig geval voorschreef.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 11april
2012,
LJN: BW1595
In deze zaak was voor inwerkingtreding van de Wabo een
bestemmingsplan vastgesteld waarin een binnenplanse
ontheffingsmogelijkheid was opgenomen (gebaseerd op artikel 3.6
Wro). Daarvoor bevatte het bestemmingsplan een specifiek
procedurevoorschrift (zienswijze binnen twee weken). Sinds 1
oktober 2010 is de procedure van totstandkoming van een
omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan een
binnenplanse afwijkingsbevoegdheid geregeld in artikel 3.9 Wabo. De
Afdeling concludeert dat gelet op artikel 1.2, tweede lid, gelezen
in samenhang met het eerste lid, van de Invoeringswet Wabo het
recht zoals het gold onmiddellijk voor het tijdstip van
inwerkingtreding van artikel 2.1 Wabo van toepassing blijft op de
voorbereiding en vaststelling van een beschikking op een aanvraag
om ontheffing als bedoeld in artikel 3.6 Wro. De procedureregeling
van de bestemmingsplanregels kan op grond van dit overgangsrecht
dus nog steeds toepassing vinden, aldus de Afdeling. De Afdeling
acht verder, gelet op de beslistermijn van acht weken, een termijn
van twee weken voor het indienen van zienswijzen omtrent het
ontwerpbesluit tot het verlenen van ontheffing niet te kort. Voor
wat betreft aanvragen van na 1 oktober 2010 geldt dat daarop de
reguliere voorbereidingsprocedure uit paragraaf 3.2 Wabo toepassing
is. Bij toepasselijkheid van de Wabo op de aanvraag geldt het
bepaalde in de bestemmingsplanregels niet; die planregels blijven
dan buiten toepassing.
Kruimelafwijking
Rechtbank Dordrecht 20 december 2011,
LJN: BV0167
Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, eerste lid onder a,
onder 2 van de Wabo jo. artikel 4.1 bijlage 2 van het Bor. De
rechtbank bepaalt dat ook bij een kruimelafwijking het vereiste
wordt gesteld van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit ondanks
het ontbreken van dit vereiste in de wettekst. De rechtbank stelt
vast dat uit jurisprudentie van de Afdeling over artikel 19 lid 3
van de WRO en artikel 3.23, eerste lid, van de Wro volgt dat de
eisen van een goede ruimtelijke onderbouwing weliswaar niet in de
wettekst is opgenomen, maar dat er bij de ontheffing wel
gemotiveerd moet worden waarom de ontwikkeling in planologisch
opzicht aanvaardbaar is. Die jurisprudentie geldt onverkort voor de
bevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 van de
Wabo.
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 2 december 2011,
201111543/1 en 201111543/2
In deze zaak was sprake van een omgevingsvergunning
voor het oprichten van een uitbouw aan de achterzijde van een
woning in beschermd stadsgezicht. Het oprichten van de uitbouw was
in strijd met het bestemmingsplan en het college verleende
omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan met
toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a,
onder 1 Wabo (binnenplanse afwijking; goothoogte) en met toepassing
van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2 Wabo
in combinatie met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II
van het Bor (de voormalige kruimellijst; grondoppervlakte van het
bouwplan). Nadat het bezwaar en daarna het beroep ongegrond zijn
verklaard, bevestigt de Afdeling de uitspraak. De aanwijzing tot
beschermd stadsgezicht stond niet in de weg aan verlening van de
omgevingsvergunning.
Overige afwijkingen
Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 22 april
2011,
LJN: BQ2769
Op 30 november 2010 heeft het college van burgemeester
en wethouders een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en
planologisch strijdig gebruik ten behoeve van onder meer het
uitbreiden van een botenhuis met een schuur. Daartegen wordt
bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Aangevoerd wordt dat de schuur in strijd is met de voorschriften
van het bestemmingsplan. Vooralsnog meent de voorzieningenrechter
dat sprake is van een ander bouwwerk en niet van een bijgebouw in
de zin van het bestemmingsplan. De grens van maximaal 50 m² die het
bestemmingsplan voorschrijft voor bijgebouwen wordt dan ook niet
overschreden. Wel is sprake van strijd met het bestemmingsplan
–minimale afstand van 1 m- waardoor ook sprake is van een
activiteit “planologisch strijdig gebruik” (c-vergunning). Omdat
uit het besluit geenszins blijkt dat een evenwichtige
belangenafweging heeft plaatsgevonden (met name het zichtaspect
speelde een rol) schorst de voorzieningenrechter tot 6 weken na de
beslissing op bezwaar.
Tijdelijke afwijking
Voorzieningenrechter rechtbank Middelburg 28 juli 2011,
LJN: BR5731
In deze uitspraak bevestigt de voorzieningenrechter dat
de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State met betrekking tot artikel 3.22 Wro (oud) haar gelding
ook onder de Wabo en het Bor heeft behouden. Bij toetsing van een
omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder c, Wabo, die voorziet in een tijdelijke behoefte
(artikel 5:18 Bor) is dan al van belang dat aangetoond wordt dat
tijdelijk behoefte bestaat aan een voorziening waarvoor vergunning
wordt verleend. Niet bepalend is of sprake is van een permanente
behoefte, slechts bepalend is dat de voorziening tijdelijk is. In
casu was voldoende aannemelijk gemaakt dat de tijdelijke weg
uitdrukkelijk een tijdelijke voorziening betreft en niet wordt
aangelegd om te voorzien in een permanente behoefte.
In vergelijkbare zin: Voorzieningenrechter Rechtbank Arnhem 6
oktober 2011,
LJN: BT6936
Algemeen gebruiksverbod
ABRS 8 februari 2012, LJN: BV3229
De Wabo vervangt niet het gebruiksverbod van artikel 352
Bouwverordening 1965
Op 1 oktober 2010 zijn de Wabo en de Invoeringswet Wabo in werking
getreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van
29 juni 2011 in zaak nr.
201007465/1/R1), ontneemt de Wabo, noch de
Invoeringswet Wabo, de rechtskracht die de Wro en de
Invoeringswet Wro toekent aan bestemmingsplannen die met
toepassing van de WRO tot stand zijn gekomen, terwijl de
geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo geen aanwijzing
bevat dat de wetgever met de benadering als neergelegd in de
hiervoor genoemde uitspraak in zaak nr.
200708557/1 heeft willen breken. Dit
betekent dat de Wabo, noch de Invoeringswet Wabo tot gevolg
heeft dat het verbod als bedoeld in artikel 352 van de
Bouwverordening 1965 is vervangen door het algemeen verbod met
betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken in artikel
2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat verbod
blijft derhalve van toepassing op het uitbreidingsplan, zij het
ingevolge de artikelen 9.1.4, vierde lid, en 9.3.2 van de
Invoeringswet Wro, in onderlinge samenhang bezien, tot 1 juli
2013.
Belanghebbende
Afdeling bestuursrechtspraak 13 april 2011, 200908792,
LJN: BQ 1081
Geschil over milieuvergunning waarop de Wabo nog niet
van toepassing is. Voor de rechtspraktijk gaat de Afdeling alvast
wel in op de vraag hoe belanghebbendheid moet worden bepaald indien
de omgevingsvergunning meer dan één van de toestemmingen als
bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat. Hoofdregel is
dat per toestemming voor een activiteit als bedoeld in de artikelen
2.1 en 2.2 van de Wabo, moet worden bepaald of degene die een
rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. Indien sprake is
van onlosmakelijke activiteiten als bedoeld in 2.7, eerste lid,
Wabo wordt een uitzondering op die hoofdregel gemaakt.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Gravenhage 11 juli 2011,
LJN: BR 1523
Voorlopige voorziening ingediend naar aanleiding van een
omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand in
Wassenaar (voormalige kapvergunning). Omdat de afstand tussen de
woning van verzoeker en de betreffende locatie 250 meter bedraagt
en verzoeker vanuit zijn woning geen zicht heeft op de te kappen
bomen, kan hij dan ook niet als belanghebbende worden aangemerkt.
De Voorzieningenrechter grijpt terug op de jurisprudentie van de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State naar aanleiding
van beroepsprocedures over kapvergunningen en belanghebbendheid in
dat verband.
Bevoegdheidsverdeling
Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en
rechtbanken
Afdeling bestuursrechtspraak 15 juli 2011, no. 201102222/2,
LJN: BR335
Betreft een besluit tot intrekking van een onder de Wet
milieubeheer verleende vergunning. Die vergunning moet worden
gelijkgesteld met een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder e, van de Wabo. Aan de intrekking is artikel
8.25, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer ten
grondslag heeft gelegd. Het ontwerp intrekkingsbesluit is evenwel
op 18 november 2010, na inwerkingtreding van de Wabo, ter inzage
gelegd. Daarom is op die procedure het nieuwe recht van toepassing,
waardoor de rechtbank de bevoegde instantie
Nu het ontwerp van het intrekkingsbesluit op 18 november 2010 ter
inzage is gelegd, is artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder b,
van de Invoeringswet niet van toepassing op het onderhavige
besluit, maar moet het recht zoals dat geldt met ingang van 1
oktober 2010 worden toegepast. Dit betekent dat de rechtbank
bevoegd is om op het beroep te beslissen.
Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 21 juni 2011, LJN
BQ9980
Met de invoering van de Wabo is artikel 20.1, eerste
lid, van de Wm gewijzigd. Een besluit met betrekking tot handhaving
van het bepaalde krachtens artikel 8.40 van de Wm is daarmee van
beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak uitgezonderd. Bij de
wijziging van artikel 20.1 van de Wm heeft de wetgever niet
voorzien in overgangsrecht. De rechtbank gaat ervan uit dat de
wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de
rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip
bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Het bestreden besluit is
bekend gemaakt na 1 oktober 2010. Derhalve acht de rechtbank zich
bevoegd, ook al is het primaire besluit voor 1 oktober 2010
genomen. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 december 2010,
201011282/2, LJN:
BO6653.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 juni 2011,
LJN BR1160
Met de invoering van de Wabo is artikel 20.1, eerste
lid, van de Wm gewijzigd. Een besluit met betrekking tot handhaving
van het bepaalde krachtens artikel 8.42 van de Wm is daarmee van
beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak uitgezonderd. Bij deze
wijziging van artikel 20.1 Wm heeft de wetgever met betrekking tot
besluiten tot het stellen van maatwerkvoorschriften in de zin van
artikel 8.42 Wm, niet in overgangsrecht voorzien. Gelet daarop gaat
de rechtbank er van uit dat de wetgever voor de
rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en de rechtbanken met
betrekking tot een dergelijk besluit het tijdstip bepalend heeft
willen achten waarop dit op de wettelijk voorgeschreven wijze is
bekendgemaakt. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in de
uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 december 2010,
201011282/2, LJN:
BO6653. Derhalve acht de rechtbank zich
bevoegd.
Zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 6 december 2010,
201011575/2,
LJN: BO6580
Gebruiksverbod
Afdeling bestuursrechtspraak 29 juni 2011, 201007465/1,
LJN: BQ9624
Bestemmingsplan dat is vastgesteld onder de oude WRO en
waarin geen algemeen gebruiksverbod is opgenomen. Het algemene
gebruiksverbod van artikel 7.10 Wro is niet van toepassing op een
plan dat onder de oude WRO tot stand is gekomen. Het algemeen
gebruiksverbod neergelegd in artikel 2.1, eerste lid, onder c, Wabo
is daarop evenmin van toepassing. Daartoe overweegt de Afdeling dat
deWabo noch de Invoeringswet Wabo de rechtskracht ontneemt die de
Wro en de Invoeringswet Wro toekent aan bestemmingsplannen die met
de toepassing van de WRO tot stand zijn gekomen, terwijl de
geschiedenis van de totstandkoming van de Wabo geen aanwijzing
bevat dat de wetgever met de benadering neergelegd in de uitspraak
van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 november 2008 in zaak
nr. 200708557/1,
LJN: BG5339, heeft willen breken.
Gedoogbeschikking
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 december
2011,
LJN: BU9754
De vraag is aan de orde wie het bevoegde bestuursorgaan
is om over een verzoek om een gedoogbeschikking te oordelen. De
voorzieningenrechter bepaalt dat hiervoor niet de te gedogen
activiteiten doorslaggevend zijn, maar de in procedure zijnde
aanvraag voor een milieuvergunning. De voorzieningenrechter
verwijst hierbij naar oude jurisprudentie van de Afdeling, die
onder de Wabo dus nog altijd van toepassing is.
Geluid
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 5 oktober 2011,
LJN: BT7471
Betreft last onder dwangsom vanwege het in werking
hebben van een inrichting zonder omgevingsvergunning. In het kader
van de vraag of sprake is van concreet uitzicht op legalisatie komt
aan de orde of de grenswaarden van de Wet geluidhinder in acht
worden genomen. Die verplichting volgt uit artikel 2.14, eerste
lid, onder c, onderdeel 2 van de Wabo. De rechtbank oordeelt dat de
grenswaarden niet in acht worden genomen en wijst op vaste
jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak op grond waarvan
bij een bestaande overschrijding van een zonegrenswaarde iedere
bijdrage, hoe gering ook, worden beschouwd als een toevoeging aan
de bestaande overschrijding. Naar het oordeel van de rechtbank
geldt deze jurisprudentie onder de Wabo nog steeds. Omdat nu al
sprake is van een overschreden zonegrenswaarde zal de toevoeging
van activiteiten waarop het handhavingsbesluit betrekking heeft tot
een verdere overschrijding leiden. Conclusie is dat concreet
uitzicht op legalisatie ontbreekt.
Handhaving
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 december
2011,
LJN: BU9737
Twee handhavingsbesluiten waarbij een last onder dwangsom wordt
opgelegd wegens een dreigende overtreding van een gebruiksverbod
uit een voorbereidingsbesluit en een aanschrijving om twee
slagbomen te verwijderen wegens het ontbreken van een
omgevingsvergunning. De voorzieningenrechter gaat na of verzoekster
als overtreder van het verbod in de zin van artikel 2.1, eerste lid
aanhef onder c van de Wabo kunnen worden aangemerkt. Op grond van
dit artikel is het verboden gronden te gebruiken in strijd met een
voorbereidingsbesluit als toepassing is gegeven aan artikel 3.7 lid
4 Wro. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 3.7 Wro leidt de
voorzieningenrechter af dat in artikel 2.1 Wabo niet alleen het
zelf gebruiken verboden is gesteld, maar ook het “laten gebruiken”.
Daarom kan niet alleen de daadwerkelijke gebruiker maar ook de
verhuurder als overtreder worden aangemerkt. Hierbij is ook van
belang dat verhuurder het desbetreffende terrein geschikt heeft
gemaakt voor het strijdige gebruik.
Overigens komt in deze uitspraak ook kort aan de orde of twee
slagbomen vergunningsvrij kunnen worden gebouwd. Tijdens de zitting
heeft de voorzieningenrechter niet vast kunnen stellen wat de
hoogte van de slagbomen is. verder stelt de voorzieningenrechter
vast dat niet valt uit te sluiten dat de slagbomen kunnen worden
aangemerkt als een perceelafscheiding als bedoeld in het Bor.
Verder heeft verzoeker 1 het niet in haar macht de slagbomen die in
eigendom zijn van verzoeker 2 te verwijderen.
Voorzieningenrechter rechtbank Almelo 17 februari 2011,
LJN: BP6014
Betreft
afwijzing van een handhavingverzoek wegens strijdig gebruik. Na
1 oktober 2010 werd verzocht om handhaving in verband met de
overtredingen van het bestemmingsplan door een
autobergingsbedrijf. Het college van Burgemeester &
Wethouders besliste afwijzend op dat verzoek. Naar aanleiding
van een verzoek om voorlopige voorziening, waarbij verzoeker
vraagt om het college op te dragen alsnog op zo kort mogelijke
termijn handhavend op te treden, overweegt de
voorzieningenrechter dat sprake is van een overtreding van
artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, Wabo. Verweerder was
dus bevoegd handhavend op te treden, en daartoe –in beginsel-
verplicht. Desondanks treft de voorzieningenrechter toch geen
voorziening, omdat de voorzieningenrechter niet inziet dat
verzoekers van het huidige gebruik van het terrein –dat al
bestaat sinds 2008- een zodanig groot nadeel ondervinden dat zij
om die reden de beslissing op hun bezwaarschrift niet zouden
kunnen afwachten. Bovendien is de uitkomst van de procedure bij
de Raad van State over een mogelijk legaliserend bestemmingsplan
van belang.
Rechtbank Breda 21 juni 2011,
LJN: BR0692
Handhavingsbesluit van voor de inwerkingtreding van de Wabo, zodat
ingevolge artikel 1.6 Wabo voor de verdere besluitvorming en de
bezwaar- en beroepsprocedures het oude recht van toepassing is. De
beslissing op bezwaar dateert van na inwerkingtreding van de Wabo.
De rechtbank is van oordeel dat de vraag naar concreet zicht op
legalisatie naar nieuw recht dient te worden beoordeeld.
Voorzieningenrechter rechtbank Leeuwarden 31 augustus 2011,
LJN:
BR6379
Het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Menameradiel had een last onder dwangsom opgelegd met het
doel een eind te laten maken aan trainingen en wedstrijden voor
modelvoertuigen met een verbrandingsmotor. De aangeschrevene
exploiteerde een manege en evenementenranch en had daarvoor een
milieuvergunning, maar deze vergunning zag niet op deze
activiteiten. Daarmee achtte het college de activiteiten in strijd
met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo. De
voorzieningenrechter gaat ervan uit dat het college bevoegd is om
op te treden: het college had ook in het verleden de
milieuvergunning (thans omgevingsvergunning) verleend en bovendien
was sprake van een voortdurende overtreding vanaf ca. medio
2010.
Rechtbank Utrecht 31 augustus 2011, LJN:
BR6029
In deze zaak ging het om handhaving van artikel 2.3a van
de Wabo, op grond waarvan het verboden is een bouwwerk of deel
daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te
laten. De aangeschreven personen hadden een appartement aangekocht
voor 1 april 2007 (wijziging Woningwet) en waren, zo stelden zij,
niet op de hoogte van het feit dat de uitbouw aan het appartement
zonder vergunning was gerealiseerd. Teruggrijpend op de
wetgeschiedenis, overweegt de rechtbank dat van iemand die de
eigendom van een perceel heeft gekregen voor 1 april 2007, ten
tijde van de verkrijging niet hoeft te worden verlangd dat hij
onderzoek verricht naar de vraag of de bouwwerken op het perceel
zonder of in afwijking van een bouwvergunning waren gebouwd. Het is
anders wanneer die persoon ten tijde van de verkrijging concrete
aanwijzingen had dat zonder of in afwijking van een bouwvergunning
was gebouwd. In casu was van dit laatste sprake: kopers wisten dat
sprake was van een illegale uitbouw en hebben dus bewust een risico
genomen. Er kon dan ook met recht worden opgetreden tegen het
illegaal gebouwde.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 25 augustus
2011,
LJN: BR6123
Hier ging het om een gedoogbesluit van het college van
burgemeester en wethouders ten aanzien van een motorcrossterrein.
De voorzieningenrechter beoordeelt of het college van burgemeester
en wethouders bevoegd was dat besluit te nemen en concludeert dat
dit niet het geval is. Het college van gedeputeerde staten is
bevoegd gezag ten aanzien van het verlenen van een
omgevingsvergunning voor deze inrichting en daarmee ook ter aanzien
van handhaving (5.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de
Wabo).
Voorzieningenrechter rechtbank Dordrecht 31 augustus 2011,
LJN:
BR6524
Het college van burgemeester en wethouders hadden een
verzoek om handhaving, waarna verzoekers een voorlopige voorziening
vorderden. De voorzieningenrechter oordeelt dat de
verbouwactiviteiten – waarmee een kantoorruimte wordt omgevormd tot
wokrestaurant – moet worden aangemerkt als het bouwen van een
bouwwerk. Wanneer al voldaan zou worden aan de voorwaarden van
artikel 3, aanhef en onder 8 van bijlage II Bor (voorheen onder 7)
is het bouwen nog steeds in strijd met het ter plaatse geldende
bestemmingsplan. Er was namelijk geen sprake van ondergeschikte of
ondersteunende horeca. Op grond van artikel 5, tweede lid Bor, is
dan dus toch sprake van een omgevingsvergunningplicht voor bouwen
als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo.
Voorzieningenrechter rechtbank ‘s-Hertogenbosch 11 oktober
2011,
LJN: BT7521
Betreft last tot stillegging bouwwerkzaamheden aan een
zonder omgevingsvergunning gebouwde woonwagen die wordt gedoogd.
Uitbreiding van de woonwagen is in strijd met het bestemmingsplan
en omdat voor de woonwagen zelf nooit een omgevingsvergunning is
verleend, volgt uit artikel 5, tweede lid, van bijlage II Bor reeds
dat niet vergunningsvrij kan worden gebouwd op basis van de
artikelen 2 en 3 van bijlage II Bor. De uitbreiding van de
woonwagen valt bovendien niet onder de in die artikelen genoemde
categorieën van bouwwerken. Stillegging uitbreiding gedoogde
woonwagen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aan
gebruikmaking van de bevoegdheid tot stillegging in de weg staan.
De jurisprudentie die is gevormd onder artikel 100 Woningwet acht
de voorzieningenrechter van overeenkomstige toepassing op de
bevoegdheid van 5.17 van de Wabo.
Rechtbank Roermond 6 maart 2012,
LJN: BV8301
Het college van burgemeester en wethouders had lasten onder
dwangsom opgelegd in verband met overtreding van artikel 2.1,
eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo (bouwen van een bouwwerk
zonder vergunning) en vanwege strijdigheid met de voorschriften van
het bestemmingsplan als ook artikel 2.1, eerste lid, aanhef en
onder c, van de Wabo (het gebruiken van gronden of bouwwerken in
strijd met een bestemmingsplan). Eisers voerden aan dat zij pas in
1994 eigenaar zijn geworden van het perceel en hen daarom bij
gebrek aan wetenschap niet is aan te rekenen dat ten tijde van de
eigendomsverkrijging bouwwerken aanwezig waren waarvoor nimmer een
bouwvergunning was verleend. De rechtbank volgt hen in die
redenering en is van oordeel dat zij niet aan te merken zijn als
overtreders van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de
Wabo (daartoe verwijzend naar Afdeling bestuursrechtspraak van de
Raad van State d.d. 28 september 2011, LJN: BT2796). Vervolgens
oordeelt de rechtbank dat het algemene gebruiksverbod ex artikel
2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo niet van toepassing
is op bestemmingsplannen die op grond van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening tot stand zijn gekomen. Wel zijn eisers aan te merken als
overtreders van het in het bestemmingsplan opgenomen
gebruiksverbod, maar nu strijdig gebruik anders dan bouwen geen
toereikende grondslag vormt voor een last om een bouwwerk te
verwijderen, kunnen de lasten geen stand houden, aldus de
rechtbank.
Intrekking
Voorzieningenrechter rechtbank Assen 21 december 2010,
LJN: BO9494
Intrekking milieuvergunning voor opslag
consumentenvuurwerk wegens niet-naleving voorschriften.
Voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 5.19 Wabo grondslag
biedt om de milieuvergunning in te trekken. Echter, ten onrechte is
niet de in artikel 5.19, derde lid, Wabo vermelde hersteltermijn
gegeven. Omstandigheid dat de vergunning betrekking heeft op
kortdurende activiteiten staat niet in de weg aan toepasselijkheid
van artikel 5.19, derde lid.
Inwerkingtreding
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 december
2011, LJN: BU8835
Omgevingsvergunning voor het slopen van gebouwen,
waarvan is bepaald dat die terstond in werking treedt. Directe
inwerkingtreding is gemotiveerd met het voorkomen van risico’s van
brandstichting en het daaraan gekoppelde risico van
asbestverspreiding. De voorzieningenrechter bepaalt dat deze
motivering voldoende is.
Monument
Rechtbank Leeuwarden 23 september 2011, LJN:
BT2739
Procedure heeft betrekking op aanwijzing tot rijksmonument van de
Tonnemafabriek in Sneek. De problemen die eiseres stelt te zullen
ondervinden met betrekking tot de verbouw van het interieur, komen
eerst aan de orde bij de afweging die in het kader van een
vergunningprocedure moet plaatsvinden. Op grond van artikel 2.15
Wabo dient daarbij rekening te worden gehouden met het gebruik van
het monument als productievestiging voor zoetwaren.
Onlosmakelijke
samenhang
Voorzieningenrechter rechtbank Roermond 21 januari 2011,
LJN: BP1979
Deelomgevingsvergunning voor het kappen van een
houtopstand. Vergunninghouder is voornemens om het perceel en de
nabijgelegen jachthaven te herontwikkelen. Op het desbetreffende
perceel wil hij een parkeerplaats te realiseren. Onderhavige
omgevingsvergunning heeft alleen betrekking op de activiteit
kappen, een activiteit die los te beschouwen valt van de overige
activiteiten die toekomstig voorzien zijn.
Rechtbank Utrecht 3 februari 2011,
LJN: BP 2987
Omgevingsvergunning voor de kap van circa 900 bomen, ten
behoeve van groot onderhoud aan A28. Voorzieningenrechter is van
oordeel dat het verleggen van de A28 ten behoeve van het onderhoud
en de kap niet in één aanvraag om omgevingsvergunning behoeven te
zijn opgenomen. Geen onlosmakelijke samenhang derhalve.
Voorzieningenrechter Rechtbank Middelburg 10 februari 2011,
LJN: BP 3923
Afzonderlijke omgevingsvergunningen voor de activiteiten
bouwen en slopen. Tardief en niet-verschoonbaar bezwaar tegen de
omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Impliciet oordeel
dat bouwen en slopen niet onlosmakelijk zijn verbonden.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Gravenhage 10 maart 2011,
LJN: BP 9765
Omgevingsvergunning voor tijdelijk plaatsen van kabel-
en leidingsbruggen. Verzoekers hadden betoogd dat de realisatie van
de parkeergarage –ten behoeve waarvan de kabel- en leidingsbruggen
tijdelijk zullen worden gerealiseerd- één feitelijke handeling
betreft waarmee de kabel- en leidingsbruggen een onlosmakelijke
samenhang vertonen. De activiteiten en de vergunde bouwwerken
moeten naar hun oordeel als ondeelbaar ten opzichte van de rest van
de betrokken handeling (realisatie van de parkeergarage) gezien
worden, aldus verzoekers. Voorzieningenrechter oordeelt dat de
tijdelijke bouwwerken weliswaar worden gerealiseerd ten behoeve van
de werkzaamheden voor de parkeergarage, maar niet daarmee
onlosmakelijk verbonden zijn. De realisatie van de kabel- en
leidingsbruggen kan als een zelfstandige handeling worden gezien en
de twee bruggen kunnen worden gerealiseerd zonder dat de rest van
het plan ooit wordt uitgevoerd. Er is dus geen sprake van strijd
met artikel 2.7 Wabo.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 26 augustus
2011 LJN:
BR6382
De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van
een verzoek om schorsing tegen een verleende omgevingsvergunning
voor de verbouw van een gebouw, dat die bestreden
omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het in gebruik nemen
of gebruiken van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste
lid, aanhef en onder d Wabo. Bovendien bestaat tussen een
dergelijke vergunning (de voormalige gebruiksvergunning) enerzijds,
en de vergunning voor de activiteit bouwen anderzijds, geen
onlosmakelijke samenhang.
Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2011,
LJN: BU2144
Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor met
het bestemmingsplan strijdig bouwen en gebruik. De rechtbank
overweegt dat het college beleidsvrijheid heeft bij de beslissing
al dan niet vrijstelling te verlenen en dat de vaste jurisprudentie
van de Afdeling bestuursrechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van
7 september 2011 LJN: BR6911) niet is gewijzigd door de invoering
van de Wabo.
Voorzieningenrechter Rechtbank Assen 10 november 2011,
LJN: BU3942
In deze procedure is de vraag aan de orde of de
activiteit “brandveilig gebruik” (art. 2.1, lid 1 onder d Wabo),
onlosmakelijk samenhangt met de activiteit “gebruik in strijd met
het bestemmingsplan”.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de beoordeling van de
vraag of er sprake is van een met het bestemmingsplan strijdig
gebruik en of dit eventueel strijdige gebruik een samenhangende
activiteit in de zin van artikel 2.7 van de Wabo is, dermate
complex is, dat deze zich niet leent voor beantwoording in het
kader van een voorlopige voorzieningenprocedure. De behandeling van
het beroep is in het licht daarvan verwezen naar een meervoudige
kamer.
Overgangsrecht
Afdeling Bestuursrechtspraak 2 mei 2012, 201107030/A1,
LJN: BW 4563
Toepassing artikel 1.5a Invoeringswet Wabo. Hoger
beroep inzake een geweigerde binnenplanse ontheffing ex artikel 3.6
onder c Wro. Ten tijde van de uitspraak in beroep was artikel 1.5a
Invoeringswet Wabo nog niet in werking getreden. De rechtbank
verklaart op grond van het dan geldende recht het beroep
niet-ontvankelijk. Op grond van artikel 46, zesde lid van de
Woningwet bestond immers concentratie van rechtsbescherming en kon
pas tegen de geweigering ontheffing worden opgekomen bij de
bouwvergunning, die op dat moment nog was vereist. De Afdeling
oordeelt dat het beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De
Afdeling vervolgt dat artikel 1.5a Invoeringswet Wabo onmiddellijke
werking heeft. In artikel 1.5a lid 4 is een concentratie van
rechtsbescherming opgenomen. Het besluit omtrent de afwijking van
het bestemmingsplan en het besluit inzake de activiteit bouwen
moeten daarom tegelijkertijd worden aangevochten. In deze zaak is
er geen aanvraag om te bouwen ingediend, want het is inmiddels
vergunningvrij. De Afdeling concludeert daarom dat artikel 1.5a lid
Invoeringswet Wabo niet aan de behandeling van het beroep in de weg
staat. Maar de rechtbank heeft op het moment van beoordeling geen
rekening kunnen houden met artikel 1.5a van de Invoeringswet Wabo
en op basis van het toen geldende recht het beroep terecht
niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling bevestigt de aangevallen
uitspraak toch niet, omdat dat ertoe zou leiden dat er geen
inhoudelijk oordeel meer zou worden geveld over de geweigerde
ontheffing.
Rechtbank Zwolle 19 december 2011, LJN:
BU 9660
Uitleg artikel 1.5, eerste lid Invoeringswet Wabo. Op grond van dat
artikel wordt een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de
Wro gelijk gesteld aan een omgevingsvergunning. De rechtbank
bepaalt dat uit het overgangsrecht bij de Wro volgt dat
vrijstellingen ex artikel 19 lid 1 en lid 2 van de WRO hun werking
ook na de inwerkingtreding van de Wro hebben behouden. Een
redelijke wetsuitleg van het overgangsrecht brengt met zich dat
vrijstellingen ex artikel 19, eerste en tweede lid, van de WRO ook
kunnen gelden als oorzaak voor toekenning van planschade als
bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wro.
Afdeling bestuursrechtspraak 13 oktober 2010,
201001932/1, LJN: B00230
Beroep tegen een revisievergunning ex artikel 8.4 Wm (oud), die op
14 januari 2010 door GS is verleend. De Afdeling oordeelt dat de
Wabo niet van toepassing is op het geding, omdat de aanvraag om
vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. Dit
volgt immers uit artikel 1.2, tweede lid van de Invoeringswet Wabo.
Zie ook: Afdeling bestuursrechtspraak 10 november 2010,
201001917/1,
LJN: BO3515, 201000284/1,
LJN: BO3517 en 201000448/1,
LJN: BO3518
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 21 oktober 2010,
201007720/1,
LJN: BO1839
Bezwaar tegen een verklaring ex artikel 8.19 lid 1 sub c
Wm (oud), op grond waarvan het bevoegd gezag de meldingsplichtige
verandering heeft geaccepteerd. Hangende de bezwaarprocedure wordt
een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzitter
van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De
verklaring als bedoeld in artikel 8.19 lid 1 onder c van de Wm
(oud) dateert van 28 juni 2010. De voorzitter overweegt dat de Wabo
niet op het geding van toepassing is en verwijst hierbij naar
artikel 1.2 b van de Invoeringswet Wabo. Uit dat artikel volgt dat
de Wabo niet van toepassing is, omdat voor 1 oktober 2010 een
melding als bedoeld in artikel 8.19, eerste lid onder b, van de Wet
Milieubeheer (oud) is gedaan.
Zie ook Afdeling bestuursrechtspraak 27 oktober 2010, 201005074/1,
LJN: BO1843
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 10 november 2010,
201010316/1,
LJN: BO4192
Hangende bezwaar tegen een last onder dwangsom van na 1
oktober 2010 - opgelegd voor het zonder milieuvergunning wijzigen
van een inrichting - is een verzoek om voorlopige voorziening
ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem. Die
zendt het verzoek door aan voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak. De voorzitter oordeelt op grond van de Wabo en
de invoeringswet dat het veranderen van een inrichting moet worden
aangemerkt als activiteit als bedoeld in de Wabo. Uit
artikel 20.1, lid 1 en 3 Wm., zoals dit sinds 1 oktober 2010 luidt,
vloeit voort dat tegen besluiten op grond van de Wabo geen beroep
kan worden ingesteld bij de Afdeling. Artikel 1.6 Invoeringswet
bepaalt dat het oude recht van toepassing is indien vóór het
tijdstip waarop de Wabo in werking treedt, met betrekking tot een
activiteit een last onder dwangsom is gegeven. De voorzitter
oordeelt dat artikel 1.6 niet van toepassing is omdat de last onder
dwangsom dateert van na de inwerkingtreding van de Wabo. Hij
verklaart zich onbevoegd en zendt het verzoek terug aan de
voorzieningenrechter.
Afdeling bestuursrechtspraak 1 december 2010, 201005746/1,
LJN: BO5708
Er worden 13 handhavingsverzoeken ingediend tegen een
loon-, dors- en akkerbouwbedrijf. Bij besluit van 9 februari 2009
wijst het college deze verzoeken af en bij beslissing op bezwaar
van 27 april 2010 worden de bezwaren ongegrond verklaard. Tegen die
beslissing op bezwaar wordt beroep aangetekend bij de Afdeling. De
Afdeling oordeelt dat de Wabo niet van toepassing is op deze zaak,
gelet op het bepaalde in art. 1.6 lid 1 Invoeringswet Wabo. Het
besluit waarbij het college weigerde handhavend op te treden, is
immers van voor de inwerkingtreding van de Wabo.In vergelijkbare
zin Afdeling bestuursrechtspraak 9 maart 2011, 201005709/1,
LJN:BP7124, 9 maart 2011, 201009446/1,
LJN: BP7126, 16 maart 2011, 201007140/1,
LJN: BP7812 en 201005763/2, LJN:
BP7816 betreffende de afwijzing van een
verzoek om handhavend optreden waarop voor de inwerkingtreding
van de Wabo een besluit is genomen.
Afdeling bestuursrechtspraak 6 december 2010, 201011575/2,
LJN: BO6580
Beroep tegen besluit tot ontheffing van een Provinciale
Milieuverordening. Niet in overgangsrecht voorzien bij de wijziging
van artikel 20.1 van de Wet milieubeheer inzake beroep bij de
administratieve rechter. Gelet daarop gaat de Afdeling ervan uit
dat de wetgever voor de rechtsmachtverdeling tussen de Afdeling en
de rechtbanken met betrekking tot een dergelijk besluit het
tijdstip bepalend heeft willen achten waarop dit op de wettelijk
voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dit betekent dat, indien
beroep is ingesteld tegen een besluit dat na 30 september 2010 op
de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, de rechtbank
bevoegd is op dat beroep te beslissen, ook als het ontwerpbesluit
vóór 1 oktober 2010 ter inzage is gelegd. Omdat het besluit na 30
september 2010 is bekendgemaakt, is de rechtbank en niet de
Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd kennis te nemen van het
beroep. Zie ook: Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 3 december
2010, 201011282/2,
LJN: BO6653
Rechtbank ’s-Gravenhage 19 april 2011,
LJN: BQ3195
Een vergelijkbare uitspraak, maar dan met betrekking tot
maatwerkvoorschriften. Op 26 januari 2011 heeft een college van
burgemeester en wethouders op grond van artikel 8.42 Wm en artikel
2.20, 5e lid, Besluit algemene regels voor inrichting en
milieubeheer (Activiteitenbesluit) maatwerkvoorschriften gesteld
voor een brandstofverkooppunt. Hangende bezwaar vraagt de
exploitant om een voorlopige voorziening, en wel bij de
voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. De
voorzieningenrechter overweegt dat, nu het besluit waartegen
bezwaar is gemaakt, is bekend gemaakt ná 30 september 2010, de
rechtbank bevoegd is om op het beroep –dus ook op een verzoek om
voorlopige voorziening- te beslissen. Bij Invoeringswet Wabo is
namelijk artikel 20.1 Wm zodanig gewijzigd dat beroep tegen een
besluit als bedoeld in artikel 8.42 Wm niet ingediend wordt bij de
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar bij de
rechtbank. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de wetgever voor de
rechtsmachtverdeling tussen aan de ene kant Afdeling en de andere
kant rechtbanken met betrekking tot dergelijke besluiten het
tijdstip bepalend heeft willen achten waarop het besluit op de
wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Afdeling bestuursrechtspraak 8 december 2010, 201004264/1,
LJN: BO6654
Beroep tegen besluit ex artikel 8.23, eerste lid, Wet
milieubeheer. Omdat het ontwerpbesluit voor de inwerkingtreding van
de Wabo ter inzage is gelegd, is oud recht van toepassing. Dit
volgt uit artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet.
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 13 december 2010,
201009023/1 en 201009023/2,
LJN: BO8310
Beroep tegen gedeeltelijke intrekking van een
milieuvergunning. Uit artikel 1.2, tweede lid, van de
Invoeringswet, volgt dat oud recht van toepassing is, omdat het
besluit tot intrekking van de vergunning voor inwerkingtreding van
de Wabo niet onherroepelijk was. In vergelijkbare zin Afdeling
bestuursrechtspraak 8 december 2010, 200910054/1,
LJN: BO6611 betreffende een besluit tot
verlening van een milieuvergunning.
Afdeling bestuursrechtspraak 22 december 2010, 201002058/1,
LJN: BO8258
Oud recht is van toepassing wanneer het besluit tot handhaving voor
de inwerkingtreding van de Wabo is genomen. Dit volgt uit artikel
1.6, eerste lid van de Invoeringswet. Die bepaling moet aldus
worden uitgelegd dat deze op gelijke wijze van toepassing is op een
besluit waarbij wordt besloten tot het toepassen van
handhavingsmaatregelen, als tot het afwijzen van een daartoe
strekkend verzoek.
Dit geldt ook wanneer het primaire besluit tot afwijzing van een
handhavingsverzoek is genomen voor 1 oktober 2010, en de beslissing
op bezwaar inzake het handhavingsverzoek na 1 oktober 2010. Zie
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 16 februari 2011,
LJN: BP5789. De voorzieningenrechter meent namelijk dat ervan moet
worden uitgegaan dat voor de toepassing van artikel 1.6
Invoeringswet Wabo de datum van het eerste (primaire) besluit over
handhaving bepalend is. Zie voor deze uitleg ook Voorzitter
Afdeling bestuursrechtspraak 30 november 2010 in zaak nr.
201011259/2, LJN:BO6805, waarin de
Voorzitter zichzelf onbevoegd verklaart, omdat het eerste
(primaire) handhavingsbesluit met betrekking tot een activiteit
in de zin van de Wabo werd genomen na 1 oktober 2010. Zie voor
deze uitleg ook
Afdeling Bestuurrechtspraak 2 mei 2012 in zaaknummer
201109369/1/A1,
LJN: BW 4518, waarin de Afdeling duidelijk
oordeelde dat voor de toepassing van artikel 1.6 lid 1
Invoeringswet Wabo niet van belang is wanneer de overtreding is
aangevangen, maar slechts wanneer het handhavingsbesluit is
genomen.
Afdeling bestuursrechtspraak 14 februari 2011, 201100368/2,
LJN: BP5424
Betoog dat een milieuvergunning na 1 oktober 2010 geldt
als omgevingsvergunning die niet meer op grond de Wet milieubeheer
kan worden ingetrokken faalt. De Voorzitter stelt vast dat de
aanvraag tot intrekking van de milieuvergunning is ingediend voor 1
oktober 2010, zodat op grond van artikel 1.2, tweede lid van de
Invoeringswet Wabo het oude recht van toepassing blijft.
Rechtbank Utrecht 7 november 2011,
LJN: BU5170
Betreft een besluit tot afwijzing van een handhavingsverzoek. Onder
verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak
van 30 november 2010
(LJN:BO6805) overweegt de rechtbank dat het
overgangsrecht van artikel 1.6 Wabo op gelijke wijze van
toepassing is op een besluiten tot het toepassen van
handhavingsmaatregelen als op een besluit tot afwijzing van deze
maatregelen. Omdat het primaire besluit is genomen vóór 1
oktober 2010, blijft het oude recht daarop van toepassing.
Echter, indien op grond van dat oude recht in beroep moet worden
geconcludeerd tot vernietiging, moet bij de nieuwe beslissing op
bezwaar worden uitgegaan van het nieuwe recht. Indien de
activiteit onder de Wabo omgevingsvergunningsvrij is, zal om
deze reden aan het einde van de rit alsnog van handhaving moeten
worden afgezien reeds omdat na 1 oktober 2010 sprake is van een
legale situatie. Volgens de rechtbank is de activiteit waarop
het handhavingsverzoek is gericht onder de Wabo
omgevingsvergunningvrij. Zij verklaart het beroep daarom
niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang, omdat
vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het
primaire besluit niet tot het door de eiser gewenste resultaat
kan leiden.
Slopen
Afdeling bestuursrechtspraak 16 maart 2011, 201006995/1,
LJN: BP7813
Beroep tegen bestemmingsplan in verband met
functiewijziging een van pand in beschermd dorpsgezicht.
Functiewijziging werkt volgens appellant sloop en teloorgang in de
hand. De Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan waarin regels
zijn vervat voor de nieuwe functie en behoud en herstel van de
ruimtelijke structuur bezien in samenhang met artikel 2.1, aanhef
en onder h, en artikel 2.16 van de Wabo voldoende waarborg bieden
voor het behoud van het historische straatbeeld.
Toegang tot de
procedure (artikel 6:13 Awb;
onderdelenfuik)
Afdeling bestuursrechtspraak 9 maart 2011, 201006983/1
,
LJN: BP7155
Beroep tegen een revisievergunning ex artikel 8.4 Wm
(oud). Hoewel de Wabo op dit geding niet van toepassing is,
beantwoordt de Afdeling in het belang van de rechtspraktijk de
vraag of de rechtspraak inzake artikel 6:13 van de Awb moet worden
voortgezet voor besluiten die zien op activiteiten die voorheen
milieuvergunningplichtig waren. Sinds de uitspraak van 1 november
2006 (200602308/1) hanteert de Afdeling in dergelijk gedingen de
‘onderdelenfuik’: een belanghebbende kan geen beroep instellen
tegen onderdelen van het besluit waarover hij geen zienswijze naar
voren heeft gebracht. Daarbij werden de verschillende categorieën
van milieugevolgen als onderdelen bedoeld in artikel 6:13 Awb
aangemerkt. Onderhavige uitspraak brengt in die lijn een wijziging
teweeg. Onder verwijzing naar de tekst en de geschiedenis van de
Wabo oordeelt de Afdeling dat categorieën van milieugevolgen voor
de toepassing van artikel 6:13 Awb niet langer meer als
besluitonderdelen worden aangemerkt. Ook in lopende procedures
inzake milieuvergunningen zal de Afdeling (bij beroepen tegen
besluiten die op of na 1 april 2011 op de voorgeschreven wijze zijn
bekendgemaakt) omwille van de rechtseenheid de nieuwe lijn
volgen.
Toetsing
Voorzieningenrechter rechtbank Breda 20 april 2011,
LJN: BQ 2482
Op 17 januari 2011 verleent het college van burgemeester
en wethouders een omgevingsvergunning voor het oprichten van een
winkelcentrum met kantoren. Daartegen wordt bezwaar ingediend,
alsmede een verzoek om voorlopige voorziening. De
omgevingsvergunning borduurt voort op een in juni 2010 vastgesteld
bestemmingsplan, waartegen een verzoek om voorlopige voorziening
was ingediend dat is afgewezen. Een beroepsprocedure tegen het
bestemmingsplan loopt nog ten tijde van de uitspraak hier aan de
orde. De omgevingsvergunning ziet op het bouwen van een bouwwerk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige
voorziening, ingediend tegen de omgevingsvergunning, af. Allereerst
overweegt de voorzieningenrechter daartoe dat verzoekster –een
winkeliersvereniging- geen rechtstreeks belang heeft bij het
bestreden besluit. Ten tweede overweegt de voorzieningenrechter dat
de toets voor verlening van een omgevingsvergunning op grond van
artikel 2.10 Wabo beperkt is, net zoals die toets voor de
bouwvergunning onder het regime van de Woningwet beperkt was
(limitatief imperatieve stelsel). Verzoekster heeft niet
aannemelijk gemaakt dat een van de weigeringsgronden zich voordoet.
Voor zover dus al sprake is van een ontvankelijk bezwaar, zijn er
geen gronden voor schorsing.
Rechtbank Zwolle 21 september 2011,
LJN: BT2563
Een aanvraag om een lichte bouwvergunning vóór de
inwerkingtreding is afgewezen voor de inwerkingtreding van de
nieuwe Wabo. Reden daarvoor is dat het college niet wilde meewerken
aan de verlening van de benodigde ontheffing ex artikel 3.23 Wro.
Het tegen dat besluit ingestelde bezwaar wordt niet ontvankelijk
verklaard, omdat het eerst na het verstrijken van de bezwaartermijn
is ingediend. Een na de inwerkingtreding van de Wabo ingediende
aanvraag voor een omgevingsvergunning voor hetzelfde bouwplan wordt
vervolgens afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb en omdat
aanvrager bij de nieuwe aanvraag geen nieuwe feiten of
omstandigheden heeft vermeld. De rechtbank oordeelt dat geen sprake
is van een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb (onder
verwijzing naar Afdeling bestuursrechtspraak 10 augustus 2005,
200408800, LJN:
AU0764 en de overwegingen daaruit inzake de
totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4:6 Awb) De aanvraag
ziet immers op een vergunning die berust op een andere
wettelijke grondslag dan de eerder aangevraagde vergunning.
Bovendien is sprake van nieuw recht. De formulering van artikel
2.10 lid 2 Wabo, dat de vergunning slechts geweigerd wordt
indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet
mogelijk is, lijkt te wijzen op een beperktere
wijzigingsmogelijkheid dan voorheen, in vergelijking met de
grote vrijheid die het college had om al dan niet ontheffing te
verlenen.
Rechtbank Amsterdam 12 oktober 2011,
LJN: BU2144
Weigering een omgevingsvergunning te verlenen voor met
het bestemmingsplan strijdig bouwen en gebruik. De rechtbank
overweegt dat het college beleidsvrijheid heeft bij de beslissing
al dan niet vrijstelling te verlenen en dat de vaste jurisprudentie
van de Afdeling bestuursrechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van
7 september 2011 LJN: BR6911) niet is gewijzigd door de invoering
van de Wabo.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 17 november
2011,
LJN: BU5293
In deze zaak is een omgevingsvergunning voor de
activiteit bouwen aan de orde (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en
onder a Wabo). De voorzieningenrechter wijst op het dwingende
karakter van de toetsingsgronden in artikel 2.10, eerste lid, Wabo.
Indien een bouwactiviteit strijdt met deze toetsingsgronden
(waaronder het bestemmingsplan) moet de gevraagde
omgevingsvergunning worden geweigerd. Deze moet worden verleend in
het geval dat de bouwactiviteit voldoet aan de in het eerste lid
van artikel 2.10 Wabo bedoelde toetsingsgronden
Rechtbank Middelburg 2 februari 2012
Deze zaak gaat over een omgevingsvergunning voor het bouwen van een
brandweerkazerne. Naar aanleiding van een beroep benadrukt de
rechtbank dat een omgevingsvergunning voor het bouwen (artikel 2.1,
eerste lid, onder a, Wabo) indien – kort gezegd – het bouwplan in
strijd is met het Bouwbesluit, de Bouwverordening, het
bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan, de
algemene regels van provincie of rijk of de redelijke eisen van
welstand. Het gaat hier om een limitatieve opsomming, en de
weigeringsgronden hebben bovendien een imperatief karakter. Dat wil
zeggen dat de omgevings vergunning moet worden geweigerd indien het
bouwplan waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met een
of meer in de weigeringgronden neergelegde voorschriften. Andersom
moet het bouwplan, wanneer dat in overeenstemming is met de
voorschriften, worden vergund. Hiermee bevestigt de rechtbank
Middelburg wederom de voortzetting van het limitatief imperatieve
regime. Verder acht de rechtbank in deze zaak een afwijking van de
VNG-bronchure “Bedrijven en Milieuzonering” aanvaardbaar . In
plaats van de 50 meter ten opzichte van belendende bebouwing, was
in casu een afstand van 10 meter aangehouden tussen de
brandweerkazerne en de dichtstbijzijnde woning. Hoewel in het
bestreden besluit die afwijking niet voldoende was gemotiveerd,
voldoet de ter zitting gegeven toelichting naar het oordeel van de
rechtbank wel.
Uitleg
Bor
Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 30 september 2011,
LJN: BT6934
Betreft een beroep tegen een verleende bouwvergunning
voor een overkapping. Het college heeft zich op het standpunt
gesteld dat het bouwwerk thans niet omgevingsvergunningplichtig is,
zodat eiser niet in een gunstiger positie kan komen te verkeren bij
een gegrond beroep. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en
verklaart het beroep niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van
procesbelang. In het kader van de vaststelling dat de overkapping
vergunningvrij is overweegt de rechtbank dat de artikel 2, aanhef
en derde lid, onder a. en b. van bijlage II bij in het Bor genoemde
situaties (met betrekking tot de 2,5 meter zone) complementair
(kunnen) zijn. Artikel 7 van bijlage II bevat vervolgens een
regeling ingeval de samenloop in één (bijbehorend) bouwwerk van de
in genoemd artikel, onder a. en b., beschreven situaties zich
voordoet. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de
Parlementaire Geschiedenis van het Bor (zie de Nota van Toelichting
bij het Besluit, Staatsblad 2010/143, p.143).
Voorzieningenrechter rechtbank Almelo 7 oktober 2011,
LJN: BT6950
Betreft een handhavingsverzoek tegen onder meer de
uitbreiding van een bedrijfsgebouw, dat werd afgewezen. De
voorzieningenrechter merkt het bestaande bedrijfsgebouw aan als
hoofdgebouw en oordeelt dat het nieuwe bedrijfsgebouw daarvan een
uitbreiding vormt en daarmee functioneel is verbonden. Om die reden
dient het nieuwe bedrijfsgebouw te worden aangemerkt als
bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor. Nu in het Bor geen
voorwaarden zijn opgenomen over de onderliggende verhoudingen in de
afmetingen van het hoofdgebouw en het bijbehorende gebouw, mag het
bijbehorende gebouw groter zijn dan het hoofdgebouw. Het
bijbehorende gebouw mag daarom vergunningvrij worden gebouwd. De
vraag of artikel 6 van bijlage II Bor van toepassing is laat de
voorzieningenrechter onbeantwoord, onder de overweging dat dit naar
voorlopig oordeel niet tot de conclusie zal leiden dat niet
vergunningvrij mag worden gebouwd.
Afdeling bestuursrechtspraak 26 oktober 2011, 201103159/1,
LJN: BU1640
Betreft verlening van een omgevingsvergunning voor het
verbouwen van een bouwmarkt en tuincentrum tot een zogenoemde
Plan-it bouwmarkt, met drive-in. Het college van burgemeester en
wethouders heeft ten behoeve van het bouwplan omgevingsvergunning
verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Daartoe is
toepassing gegeven aan 2.12, eerste lid, onder a, onder 2º Wabo,
welk artikel verwijst naar categorieën gevallen in artikel 4 van
bijlage II. De opsomming in artikel 4 wordt veelal beschouwd als
een lijst met planologische kruimelgevallen, als ‘opvolger’ van
artikel 4.1.1 Bro. De Afdeling oordeelt dat blijkens de tekst van
artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º van de
Wabo niet is beoogd om de afwijkingsmogelijkheid van het
bestemmingsplan te beperken tot planologisch ondergeschikte
gevallen. Toepassing van de bevoegdheid is uitsluitend beperkt tot
de categorieën van gevallen, genoemd in artikel 4 van de bij het
Bor behorende Bijlage II. De Afdeling overweegt dat uit artikel 4,
aanhef en eerste lid, van de bij het Bor behorende Bijlage II, noch
uit de geschiedenis van totstandkoming daarvan, blijkt dat beoogd
is de toepassing van deze bepaling te beperken tot één bijbehorend
bouwwerk per perceel of aanvraag om omgevingsvergunning. Ook de
definitiebepaling van ‘bijbehorend bouwwerk’ duidt er niet op dat
de toepassing van artikel 4, aanhef en eerste lid, is beperkt tot
één bijbehorend bouwwerk. De verleende omgevingsvergunning die is
verleende voor de verschillende onderdelen van het bouwplan
(verbouw bouwmarkt en tuincentrum en oprichten drive-in), past
volgens de Afdeling binnen de in artikel 4, aanhef en eerste lid,
van Bijlage II van het Bor bedoelde gevallen. Daarbij neemt zij in
aanmerking dat de drive-in in planologisch opzicht is gerelateerd
aan het gebruik van het hoofdgebouw als bouwmarkt en derhalve
functioneel. Verder verwerpt de Afdeling het betoog dat een
omgevingsvergunning krachtens 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,
onder 2º van de Wabo, alleen kan worden verleend voor het bouwen
van een bijbehorend bouwwerk en niet voor het in strijd met het
bestemmingsplan gebruiken daarvan. Volgens de Afdeling dient
artikel 2.1., eerste lid, onder c, Wabo ruim te worden uitgelegd,
waarbij gebruiken niet alleen betrekking heeft op gebruik van
gronden of bouwwerken, maar ook op het bouwen en slopen van
bouwwerken in strijd met planologische regelgeving. Daarvoor vindt
zij steun in de wetgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 953,
nr. 3, blz. 46-47). Een andere uitleg zou daarbij onbedoelde
beperkingen van de Wabo en de daarop gebaseerde regelgeving
meebrengen.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 februari
2012,
LJN: BV6331
Verlening van omgevingsvergunning voor het oprichten van een
parkeergarage. De voorzieningenrechter oordeelt dat de
parkeergarage kan worden aangemerkt als een bijbehorend bouwwerk in
de zin van artikel 4 lid 1 van bijlage II bij het Bor en er dus een
kruimelvergunning kan worden verleend. Hiervoor is van belang dat
de parkeergarage en de terminal zich bevinden op een aaneengesloten
en afgebakend terrein dat nagenoeg geheel wordt geëxploiteerd door
vergunninghoudster. Er is daarom sprake van een perceel in de zin
van artikel 1 lid 1 bijlage II bij het Bor. Het maakt niet uit dat
het terrein uit verschillende kadastrale percelen bestaat.
Zo ook rechtbank ’s-Hertogenbosch 21 februari 2012, LJN:
BV6335.
Vergunningsvrij bouwen en gebruiken
Afdeling Bestuurrechtspraak 2 mei 2012, 2011,0538/1/R3,
LJN: BW4539
Beroep tegen een bestemmingsplan en exploitatieplan. De afdeling
oordeelt over de verhouding tussen artikel 3 van bijlage II van het
Bor en de regels in het bestemmingsplan. In artikel 3 van bijlage
II Bor zijn situaties opgesomd die zijn vrijgesteld van de
vergunningsplicht ex artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo
en niet van de vergunningsplicht voor het gebruiken als bedoelt in
artikel 2.1, eerste lid onder c van de Wabo. Bij zodanige
bouwwerken moet er dus nog wel aan het bestemmingsplan worden
getoetst. De Afdeling stelt vast dat dat tot gevolg heeft dat een
bestemmingsplan beperkingen kan stellen aan de mogelijkheid om
vergunningsvrij te bouwen voor bouwwerken die voldoen aan de eisen
van artikel 3 van bijlage II bij Bor. Met andere woorden, in een
bestemmingsplan mogen beperkingen worden opgenomen ten aanzien van
bouwwerken waarvoor nog een zogenoemde ‘c-vergunning’ benodigd is.
Zie voor deze uitleg ook Afdeling Bestuurrechtspraak 21 maart 2012,
201104232/1/R2,
LJN BV9501.
Rechtbank Haarlem 28 maart 2011,
LJN: BP9458
Weigering tijdelijke ontheffing en bouwvergunning voor
het plaatsen van twee containers voor de opslag van
landbouwwerktuigen. Aanvrager wilde op zijn gronden met een
agrarische bestemming tijdelijk twee zeecontainers plaatsen;
ondertussen liep ook een procedure voor een definitieve
opslagloods. Burgemeester & Wethouders hadden de tijdelijke
ontheffing en bouwvergunning geweigerd. Eiser stelde in beroep dat
hij niet ontvankelijk was omdat het plaatsen van zeecontainers
onder de Wabo inmiddels vergunningvrij was geworden. De rechtbank
volgt hem niet in zijn betoog. Op grond van de Wabo en het Besluit
omgevingsrecht (bijlage II) is het niet mogelijk om zonder
omgevingsvergunning te bouwen in het geval dat het gebruik van het
hoofdgebouw niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Uit
de toelichting blijkt voorts dat een bijbehorend bouwwerk
functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw en derhalve
ondersteunend aan het gebruik van het hoofdgebouw. Er kan naar de
mening van de rechtbank geen sprake zijn van in planologisch
opzicht gerelateerd gebruik of van ondergeschikt en ondersteunend
gebruik van het hoofdgebouw, wanneer het gebruik van het
hoofdgebouw niet meer in overeenstemming is met het
bestemmingsplan. Het plaatsen van zeecontainers is dan ook niet
vergunningvrij (geworden). Omdat verder bouwvergunningverlening
voor een opslagloods geenszins zeker is, is ook de tijdelijke
ontheffing terecht geweigerd, aldus de rechtbank.
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 27 juli 2011,
201009516/1,
LJN: BR3199
Geschil omtrent de uitbouw van een woning op het
achtererf. De Afdeling stelt vast dat de in de bij het Bor
behorende bijlage II gegeven definitie van erf gelijk is aan die
bij het Bblb. Realisering van het bouwplan heeft tot gevolg dat het
achtererfgebied voor meer dan 50% zal zijn bebouwd, zodat niet is
voldaan aan het vereiste van artikel 2, aanhef en onderdeel 3,
onder e van de bij het Bor behorende bijlage II.
Voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch, 22 oktober
2010,
LJN: BO 2154
Het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Oss heeft bij besluit van 18 januari 2010 een reguliere
bouwvergunning verleend voor het bouwen van een tuinpaviljoen. Een
omwonende stelt beroep in tegen de beslissing op bezwaar waarbij de
bouwvergunning in stand is gelaten en dient een verzoek om
voorlopige voorziening in. De voorzieningenrechter toetst
ambtshalve of de omwonende nog een procesbelang heeft bij het
beroep. Verweerder stelt zich op het standpunt dat voor het
oprichten van het tuinpaviljoen onder de Wabo geen
(omgevings)vergunning (meer) vereist is en omwonende daarom geen
procesbelang heeft. Als het klopt dat het vergunninghouder onder de
Wabo vrij staat het tuinpaviljoen zonder omgevingsvergunning te
bouwen, dan kan verzoeker door het beroep en het verzoek niet in
een gunstigere positie komen te verkeren. De voorzieningenrechter
gaat na of het onderhavige bouwwerk inderdaad kan worden aangemerkt
als een vergunningsvrij bouwwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste
lid van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een
project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk
bestaat uit het bouwen van een bouwwerk (sub a) of het gebruik van
gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (sub c). Op
grond van artikel 2.1, derde lid van de Wabo wordt bij AMvB bepaald
in welke gevallen het verbod ex artikel 2.1 lid 1 Wabo niet geldt.
Op grond van artikel 2.3, eerste lid, van het Bor is geen
omgevingsvergunning vereist voor de activiteit bouwen in de
categorieën van gevallen zoals omschreven in artikel 3 in samenhang
met artikel 5 van bijlage II bij het Bor. De voorzieningenrechter
oordeelt dat het tuinpaviljoen kan worden aangemerkt als een
categorie als bedoeld in deze artikelen. Als het bouwwerk ook in
overeenstemming is met het bestemmingsplan, is er naar het oordeel
van de voorzieningenrechter geen omgevingsvergunning vereist. De
voorzieningenrechter oordeelt dat (alleen) als het bouwwerk in
overeenstemming is met het vigerende bestemmingsplan, het bouwen
van een bouwwerk niet mede een (omgevingsvergunningsplichtige)
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder
c, van de Wabo behelst. Niet in geschil is dat het beoogde bouwwerk
voldoet aan het bepaalde in artikel 3, van bijlage II bij het Bor
en dat het tuinpaviljoen in overeenstemming is met het
bestemmingsplan. Dit betekent dat verzoeker door het instellen van
het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening niet in een
gunstigere positie kan geraken, zodat procesbelang ontbreekt. Het
beroep en het verzoek worden niet ontvankelijk verklaard.
Zo ook voorzieningenrechter rechtbank ’s-Hertogenbosch 16
februari 2011,
LJN: BP5782. Ook in deze zaak
constateerde de voorzieningenrechter dat inmiddels na
inwerkingtreding van de Wabo het betreffende bouwwerk ook zonder
omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Er is namelijk sprake
van een bijbehorend bouwwerk, ook al is de woning zelf nog niet
opgericht. Verzoekers kunnen door het instellen van het beroep
niet meer in een gunstigere positie geraken, zodat het
procesbelang ontbreekt.
Rechtbank Almelo 20 april 2011,
LJN: BQ2559
Hier ging het om een vrijstelling ex artikel 19 WRO en
bouwvergunning voor het bouwen van een overkapping. Naar aanleiding
van een beroep daartegen ziet de rechtbank Almelo aanleiding om te
bezien in hoeverre nog belang bestaat bij een beoordeling van een
rechtmatigheid van het bestreden besluit. Wanneer het bouwplan
onder figuur van de Wabo omgevingsvergunningvrij is, is het
processuele belang immers vervallen. De rechtbank oordeelt
allereerst dat de overkapping kan worden aangemerkt als een
bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied dat bovendien voldoet
aan de maximale hoogte van vijf meter (artikel 3, onderdeel 1,
bijlage II Bor). Voor het bouwen is dan ook geen
omgevingsvergunning nodig in de zin van artikel 2.1, eerste lid,
aanhef en onder a, Wabo. Vervolgvraag is of een omgevingsvergunning
nodig is als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder c, Wabo
(bouwplan in strijd met bestemmingsplan; deze toets dient bij
toepassing van artikel 3, bijlage II Bor wél plaats te vinden,
anders dan bij artikel 2 Bor-situaties).
Het bestemmingsplan bepaalde dat de maximale gezamenlijke
oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen 75
m² bedraagt. De rechtbank bepaalt dat in beginsel alle op het
perceel aanwezige bebouwing dient te worden meegerekend bij de
beantwoording van de vraag of is voldaan aan de bouwvoorschriften
van het bestemmingsplan. Een uitzondering geldt voor bouwwerken die
onder de Wabo ook zonder omgevingsvergunning kunnen worden gebouwd
wanneer het bouwen in strijd is met het bestemmingsplan (artikel 2,
bijlage II, Bor-activiteiten). De verschillende uitbouwen die
voldoen aan artikel 2, lid 3 van bijlage II Bor rekent de rechtbank
dan ook niet mee bij het bepalen van de (maximale) oppervlakte en
toetsing aan het betreffende bouwvoorschrift uit het
bestemmingsplan. Het weglaten van die oppervlakte leidt er
vervolgens toe dat met het oprichten van de overkapping nog steeds
gebleven wordt binnen de maximale oppervlakte van 75 m². Het beroep
wordt niet-ontvankelijk verklaard.
Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 30 november 2010, LJN:
BO6418
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen
last onder bestuursdwang wegens zonder vergunning aangebrachte
rolluiken. Voorzieningenrechter oordeelt dat geen sprake is van
omgevingsvergunningsvrij bouwen, omdat het bouwwerk niet voldoet
aan de criteria vermeld in artikel 2, lid 8, aanhef en onder a en b
van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Daarvoor is van
belang dat de rolluiken aan de buitenzijde van het pand zijn
aangebracht en voorts dat het betrokken pand in beschermd
stadsgezicht staat. Geen concreet uitzicht op legalisatie, omdat de
rolluiken volgens het welstandsadvies in strijd zijn met redelijke
eisen van welstand.
Voorzieningenrechter rechtbank Zwolle 14 december 2010, LJN:
BO7240
Verzoek om voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen
besluit tot afwijzing handhavend optreden tegen bouw skatebaan.
Start van de bouw voor inwerkingtreding van de Wabo. Afwijzend
besluit van na inwerkingtreding Wabo. Voorzieningenrechter toetst
of skatebaan aan vergunningsplicht is onderworpen. Uit artikel 8
van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht blijkt dat een
omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a en c, van de Wabo niet vereist is, indien die
activiteiten betrekking hebben op het bouwen van een bouwwerk dat
reeds was aangevangen voor de inwerkingtreding van de Wabo en op
het tijdstip waarop met dat bouwen is begonnen daarvoor krachtens
de Woningwet geen bouwvergunning was vereist. Naar voorlopig
oordeel van de Voorzieningrechter was onder de Woningwet geen
bouwvergunning vereist.
Voorzieningenrechter rechtbank Breda 16 februari 2011, LJN:
BP4832
Verzoek om schorsing van een omgevingsvergunning voor
het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Verzoeker betoogt
dat de aanvraag niet voldoet aan hoofdstuk 2 van het Mor, waarin de
indieningsvereisten voor bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn
opgenomen. De voorzieningenrechter stelt vast dat op grond van
artikel 3, eerste lid, van bijlage II alleen een
omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen niet is vereist als
het gaat om een bijbehorend bouwwerk in een achtererfgebied en als
het bouwwerk niet hoger is dan 5 meter. Nu het desbetreffende
bouwwerk een nokhoogte zal krijgen van 5 meter stelt de
voorzieningenrechter vast dat verweerder zich terecht op het
standpunt heeft gesteld dat geen omgevingsvergunning is benodigd
voor de bouwactiviteit maar dat de omgevingsvergunning uitsluitend
is benodigd voor de afwijking van het bestemmingsplan. De
voorzieningenrechter vervolgt dat dat betekent dat hoofdstuk 2 van
de Mor niet van toepassing is op de aanvraag. Alleen hoofdstuk 3
van de Mor is van toepassing. Verder oordeelt de
voorzieningenrechter dat de afwijking van artikel 3.2, sub d, van
de Mor, waarin kort gezegd is opgenomen dat de aanvraag een
situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening
van de nieuwe toestand dient te bevatten, geen aanleiding vormt
voor de schorsing van de omgevingsvergunning. Dit omdat naar
verwachting ook het beoogde bouwplan, dat qua situering 15
centimeter afwijkt van de ingediende situatietekening, zou kunnen
worden vergund.
Rechtbank Roermond 15 maart 2011, LJN:
BP8237
In geschil is de vraag of en duivenhok een
vergunningsvrij bijbehorend bouwwerk is. De planologische
bestemming van de betreffende gronden is ingevolge het van
toepassing zijnde bestemmingsplan ‘woondoeleinden’. In
overeenstemming met die bestemming is het hoofdgebouw op die
gronden een woning. Om ter zake van het duivenhok te kunnen spreken
van een bijbehorend bouwwerk bij die woning, moet dit duivenhok
ingevolge artikel 1 van bijlage II bij het Bor, gelet op Nota van
Toelichting (Stb. 2010, 143, blz. 132 e.v.), gerelateerd zijn aan
het gebruik van de woning in die zin dat sprake is van vergroting
van het woongenot van vergunninghouder. Zoals de rechtbank
Rotterdam in haar uitspraak van 28 december 2004 (LJN: AS3612)
heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van het begrip
‘woongenot’ met zich mee dat het woongenot niet uitsluitend tot de
woning zelf beperkt is, maar ook in ieder geval betrekking heeft op
het bij de woning behorende perceel en in zekere mate de directe
leefomgeving. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omvang
en de nokhoogte van het duivenhok alsmede op de hoeveelheid
gehouden duiven, sprake is van een hobbymatig gebruik van het
bouwwerk en daarmee van een vergroting van het woongenot van eiser.
Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het
vereiste van een functionele verbondenheid met het hoofdgebouw
zodat het duivenhok gekwalificeerd kan worden als een bijbehorend
bouwwerk in de zin van artikel 1 van bijlage II bij het Bor. De
rechtbank stelt verder vast dat het duivenhok met de huidige
afmetingen binnen de maatvoering van het bestemmingsplan. Derhalve
is op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Bor in samenhang
met artikel 3, aanhef en onder 1, van bijlage II per 1 oktober 2010
geen omgevingsvergunning is vereist.
Afdeling bestuursrechtspraak 24 augustus 2011, 201010526/1,
LJN: BR5671
In hoger beroep gaat de Afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad van State onder andere in op de interpretatie van artikel
2, aanhef en onder 3, onderdeel b, onder 2 van de bij het Bor
behorende bijlage II. Daarin is bepaald dat geen
omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1,
eerste lid, onder a en c (bouwen en gebruik in strijd met het
planologisch regime) Wabo niet is vereist wanneer die activiteiten
betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk in achtererfgebied
mits voldaan wordt aan de eis dat voor zover de activiteit
plaatsvindt op een afstand van meer dan tweeënhalve meter van het
oorspronkelijke hoofdgebouw, de oppervlakte van vergunningvrije
bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van één meter van een
naburig erf niet meer dan 10 m² mag bedragen. De Afdeling oordeelt
dat de oppervlakte-eis van 10 m² geen betrekking heeft op het
gehele bijbehorende bouwwerk, maar slechts op het gedeelte van het
bouwwerk, voor zover dat is gelegen binnen een afstand van één
meter vanaf een aan de zij- of achterkant gelegen naburig erf. Ter
onderbouwing verwijst de Afdeling naar de Nota van toelichting bij
het Bor.
Rechtbank Arnhem 23 augustus 2011, LJN:
BR6846
De rechtbank Arnhem toetst een eventuele
omgevingsvergunningplicht aan de hand van het Bor. Het gaat in deze
zaak om een in een carport geplaatste flexibele wand en een tegen
een woning aan geplaatste constructie met licht doorlatend dak.
Voor wat betreft de flexibele wand oordeelt de rechtbank dat die
niet kan worden beschouwd als rolhek, luik of rolluik in de zin van
artikel 2 (onder 8) van bijlage II bij het Bor: bij zo’n rolhek,
luik of rolluik moet het naar het oordeel van de rechtbank gaan om
een afscheiding die aanvullend is op een al bestaande
scheidingsconstructie. In dit geval vormde de flexibele wand zélf
een zelfstandige scheidingsconstructie. Omdat sprake is van een
bijbehorend bouwwerk bij een recreatiewoning, kan ook artikel 2,
onder 3 van bijlage II niet van toepassing zijn. Vervolgens komt de
vraag aan de orde of artikel 3 van bijlage II een uitzondering op
de vergunningsplicht aanbrengt (voor het bouwen). De rechtbank
oordeelt dat hier sprake is van een bijbehorend bouwwerk in het
achtererfgebied. Er is dus geen omgevingsvergunning vereist voor de
activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder a Wabo. Wel
doet zich dan de vervolgvraag voor of voor die wand een
omgevingsvergunning vereist is in verband met strijd met het
bestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat geen sprake is
strijdigheid. Ten aanzien van het licht doorlatende dak oordeelt de
rechtbank dat geen sprake is van een zonwering als bedoeld in
artikel 2, onderdeel 8 van bijlage II, omdat geen sprake is van een
constructie die rechtstreeks is bevestigd aan de gevel. Op grond
van artikel 3 van bijlage II is de overkapping wel te kwalificeren
als bijbehorend bouwwerk in het achtererfgebied waardoor geen
omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit artikel 2.1, eerste
lid onder a Wabo. Omdat sprake is van strijd met het
bestemmingsplan, is echter toch een omgevingsvergunning in de zin
van artikel 2.1, aanhef en onder c Wabo vereist.
Afdeling bestuursrechtspraak 13 juli 2011,
201010732/1,
LJN: BR1462
In deze zaak was een lichte bouwvergunning verleend voor
het realiseren van een berging op een achtererf met een oppervlakte
van 23 m2, een bouwhoogte van 3 meter en een plat dak.
In beroep wordt de beslissing op bezwaar, waarbij de bouwvergunning
in stand was gelaten, vernietigd. In hoger beroep bij de Raad van
State komt aan de orde dat het bouwwerk inmiddels vergunningvrij is
(artikel 2, aanhef en derde lid onder b, van bijlage II Bor). Omdat
voor de berging geen omgevingsvergunning meer vereist is, zal het
hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van de
gemeente Breda dan ook niet worden behandeld en is dat niet
ontvankelijk.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 30 september 2011,
LJN: BT6934
Deze uitspraak ziet op een omgevingsvergunning voor de
bouw van een overkapping bij een woning die gedeeltelijk op een
afstand van minder dan 2,5 meter van de woning ligt en gedeeltelijk
op een afstand van meer dan 2,5 meter daarvandaan. Uit de redactie
van artikel 2 aanhef en derde lid sub a. en b. bijlage II Bor,
blijkt reeds dat de beide situaties complementair kunnen zijn.
Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van het Bor
(NvT, Stb. 2010/143, p. 143) overweegt de rechtbank dat artikel 7
van bijlage II Bor, een regeling bevat ingeval de samenloop van de
onder a. en b. genoemde situatie zich voordoet. Aan de hand van een
feitelijke toets aan voornoemde artikelen komt de rechtbank tot het
oordeel dat voor de overkapping geen omgevingsvergunning is
vereist.
Afdeling bestuursrechtspraak 28 september 2011, 201011584/1,
LJN: BT2846
College stelt zich op het standpunt dat een toegangsdeur
en balustrade die toegang geven tot een dakterras op een bestaande
uitbouw omgevingsvergunningsvrij is. Daarbij verwijst het naar
artikel 2 lid 7, Bijlage II Bor. De Afdeling gaat daarin niet mee.
Daarbij wijst de Afdeling op de functionele samenhang tussen de
toegangsdeur en de balustrade, die tezamen voorzien in de
realisering van een dakterras op de bestaande uitbouw. Daardoor kon
het bouwplan niet worden gesplitst in afzonderlijk en zelfstandig
te beoordelen bouwwerken en moet het bouwplan als geheel worden
beoordeeld.
Uitspraak van de rechtbank Utrecht 9 maart 2012,
LJN: BV8412
De rechtbank buigt zich in deze uitspraak over de vraag of een
aanbouw omgevingsvergunningvrij is. In concreto gaat het om de
vraag of aan alle criteria zoals opgenomen in artikel 2, aanhef en
derde lid, van bijlage II van het Bor (in welke gevallen voor
activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c,
van de Wabo geen vergunning nodig is). Aan het afstandsvereiste als
ook het oppervlaktevereiste voor op de grond staande bijbehorende
bouwwerken in een achtererfgebied (artikel 2, aanhef en derde lid,
onder b, ten eerste en ten tweede) wordt voldaan. Problematisch
ligt het echter waar het gaat om het berekenen van de totale
oppervlakte van vergunningvrije bijbehorende bouwwerken ten gevolge
van het nieuw gerealiseerde bijbehorende bouwwerk. Omdat de aanbouw
deels in de plaats is gekomen van de voormalige bijkeuken, volgt
een rekensom waarbij de oppervlakte van de gehele aanbouw in
aanmerking wordt genomen. De rechtbank constateert dat niet aan het
vereiste wordt voldaan en komt tot vernietiging.
Vergunningplicht
Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak 4 februari 2011,
201011900/1,
LJN: BP3660
Beroep tegen milieuvergunning voor een windturbinepark. College
betoogt dat procesbelang ontbreekt omdat op grond van het
Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht per 1 januari
2011 geen vergunningplicht meer geldt. De Voorzitter stelt vast dat
uit de toepasselijke wetgeving volgt dat alleen geen
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef
en onder e, Wabo is vereist, als geen milieu-effectrapport ten
behoeve van de activiteit moet worden gemaakt. In dit geval is,
mede gelet op de uitspraak van het Hof van Justitie van 15 oktober
2009 (zaaknummer C-255/08;
http://www.curia.europa.eu/)
niet op voorhand uitgesloten dat een milieu-effectrapportage is
vereist. De voorzitter is vooralsnog van oordeel dat het Besluit
omgevingsrecht en het Besluit milieueffectrapportage zo moeten
worden uitgelegd dat een omgevingsvergunning is vereist wanneer het
bevoegd gezag ten onrechte heeft besloten dat geen
milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt. De Voorzitter is er
niet van overtuigd dat het college terecht heeft geoordeeld dat van
het opstellen van een milieueffectrapport kon worden afgezien,
zodat niet is uitgesloten dat een omgevingsvergunning is vereist.
Verzoekers houden procesbelang.
Verhouding
activiteiten
Afdeling Bestuursrechtspraak 2 mei 2012, 201011900/1/A4,
LJN: BW 4511
Beroep tegen een oude milieuvergunning ex artikel 8.1 Wm. De
Afdeling toetst in hoeverre het oprichten van 5 windturbines onder
de huidige wetgeving vergunningplichtig is. Deze activiteit is
hetzij vergunningplichtig op grond van artikel 2.1, eerste lid,
onder e van de Wabo of als activiteit op grond van artikel 2.1,
eerste lid, onder i van de Wabo. De Afdeling stelt vast dat uit het
Bor volgt dat voor het bepalen van de vergunningplichtigheid van
een inrichting alleen wordt verwezen naar de activiteiten zoals
genoemd in het Besluit mer en niet naar de ‘gevallen’ zoals genoemd
in het Besluit mer. Verder stelt de Afdeling vast dat aan de hand
van de ingediende aanvraag moet worden bepaald welk van beide
vergunningplichten geldt. In eerste instantie moet een zogenoemde
‘i-vergunning’ worden aangevraagd. Pas als blijkt dat er een mer
wordt opgesteld, moet alsnog een ‘e-vergunning’ worden aangevraagd.
Het verschil is van belang voor het toetsingskader.
Ten aanzien van het procesbelang overweegt de Afdeling dat als
het beroep gegrond zou worden verklaard, het oude recht van
toepassing zou zijn op de aanvraag. Dat komt materieel gezien neer
op de vraag of een ‘e-vergunning’ kan worden verleend. Dat kan niet
in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever, want
sinds de wetswijzigingen van 1 januari 2011 is er geen vergunning
meer is vereist voor het oprichten van een windturbine park. Er is
dan slechts nog een vergunning nodig als er geen mer hoeft te
worden opgesteld. Een redelijke toepassing betekent volgens de
Afdeling dat als vast komt te staan dat er op grond van het huidige
recht slechts een ‘i-vergunning’ benodigd zou zijn, dan die
weigeringgronden zouden moeten gelden. Nu vast staat dat er geen
mer opgesteld hoeft te worden, is alleen de zogenoemde
‘i-vergunning’ benodigd. Deze vergunning kan op grond van artikel
5.13d van het Bor alleen worden geweigerd als een mer moet worden
opgesteld. Nu vast staat dat geen mer gemaakt hoeft te worden, zou
de vergunning niet geweigerd kunnen worden. Ten slotte bepaalt de
Afdeling dat er aan een zogenaamde ‘i-vergunning’ geen
voorschriften kunnen worden verbonden.
Voorschriften
Voorzieningenrechter rechtbank Breda 5 oktober 2011,
LJN: BT6705
Betreft een verzoek om voorlopige voorziening inzake een
besluit tot ambtshalve wijziging van een omgevingsvergunning op
basis van artikel 2.30, eerste lid en 2.31, eerste lid van de Wabo
(actualisering). Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften
toegevoegd die technische maatregelen inhouden als bedoeld in
artikel 5.6 Bor. Het betoog van verzoekster dat ten onrechte
controlevoorschriften aan de vergunning zijn verbonden, zonder dat
corresponderende doelvoorschriften zijn opgenomen, wordt door de
voorzieningenrechter verworpen. Volgens de voorzieningenrechter
betekent het gegeven dat aan doelvoorschriften
controlevoorschriften moeten worden verbonden niet dat
controlevoorschriften uitsluitend aan doelvoorschriften verbonden
kunnen worden. In dit geval is toepassing gegeven aan de
bevoegdheid van artikel 5.6, derde lid, om te vereisen dat verslag
wordt gedaan over de uitvoering van technische maatregelen.
Verklaring
van geen bedenkingen
Voorzieningenrechter rechtbank Haarlem 27 juni 2011, LJN:
BQ9883
Omgevingsvergunning voor een tijdelijke activiteit
(bouwweg). In artikel 6.5, derde lid, van het Bor staat – voor
zover van belang – beschreven in welke gevallen een
omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het
bestemmingsplan (…) niet wordt verleend dan nadat de gemeenteraad
heeft verklaard dat hij hiertegen geen bedenkingen heeft. In dit
artikel wordt niet verwezen naar omgevingsvergunningen waarbij met
toepassing van het tweede lid van artikel 2.12, tweede lid, van de
Wabo voor een bepaalde termijn wordt afgeweken. Derhalve is geen
van verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad
vereist.
Voorbereidingsprocedure
Rechtbank Haarlem 6 juli 2011,
LJN: BR1323
In geschil is de vraag of een vergunning van rechtswege
is verleend, omdat de beslistermijn van de reguliere procedure is
overschreden. De aanvraag voorziet in een verzoek tot wijziging van
het gebruik van een bedrijfspand voor het wonen met een aan huis
gebonden beroep. Beroep op het vertrouwensbeginsel wordt verworpen,
omdat niet is gebleken van een bevoegdelijk gedane toezegging dat
de reguliere procedure van toepassing is. Verder stelt de rechtbank
vast dat het bestemmingsplan noch het Bor voorzien in een
afwijkingsmogelijkheid. Daarom kan de omgevingsvergunning alleen
met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3° van de
Wabo worden verleend. Ingevolge artikel 3.10, eerste lid, aanhef en
onder a, van de Wabo is afdeling 3.4 Awb op de voorbereiding van
een dergelijk besluit van toepassing. Gelet daarop kan geen sprake
zijn van een van rechtswege verleende vergunning.
Rechtbank ’s-Hertogenbosch 19 oktober 2011,
LJN: BU1267
De rechtbank overweegt dat 3.10, eerste lid, van de Wabo
dwingend voorschrijft in welke gevallen de uitgebreide
voorbereidingsprocedure dient te worden gevolgd. Dat het college er
op enig moment van uitging dat de reguliere procedure van
toepassing was, is niet van belang. Het bestuursorgaan is, op grond
van artikel 3.1, derde lid, van de Wabo, weliswaar verplicht om de
aanvrager kenbaar te maken welke procedure van toepassing is, maar
deze bepaling geeft geen bevoegdheid om voor de betrokken aanvraag
van de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure af te
wijken. De rechtbank verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis
(Eerste Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 31 953, C, pagina 17).