Zoeken

Artikelen

Scheef recht

Voor velen die in de commerciƫle praktijk werken, is het een ervaringsgegeven: ons civiele recht is op een aantal belangrijke terreinen een beetje scheef. Daarmee bedoel ik dat een afnemer van producten of diensten zich veelal in een aanzienlijk comfortabeler positie weet dan zijn wederpartij. Hij hoeft zich niet kapot te onderhandelen of naar dure advocaten te gaan om - bijvoorbeeld - te bewerkstelligen dat zijn wederpartij in beginsel onbeperkt aansprakelijk is (artikel 6:74 BW), in de praktijk nauwelijks een beroep of overmacht kan doen (artikel 6:75 BW) en zich moet houden aan een behoorlijke serie wettelijke normen, waaronder regels die de redelijke verwachting van de afnemer centraal stellen bij de vraag of zijn wederpartij aan de overeenkomst heeft voldaan (artikel 7:17 BW). Soms kan hij, staande de overeenkomst, tot nadere gedachten komen en op basis daarvan, mits tijdig en verantwoord, niet overeengekomen aanwijzingen geven die de wederpartij dan moet opvolgen, tenzij die ervoor kiest om dan maar te beƫindigen (artikel 7:402 BW). En kijken we naar bijvoorbeeld het onbevooroordeeld lijkende ontbindingswapen, waarvan de Hoge Raad keer op keer zegt dat dit relatief snel kan worden ingezet, moeten wij dan niet eigenlijk inzien dat dit voornamelijk een afnemerswapen is? Kortom, ons (regelend) recht lijkt in niet onbelangrijke mate afnemersvriendelijk. Is dat niet raar, met name daar waar het de verhouding tussen professionele partijen betreft?



Klik hier voor het artikel

Auteur

Coen Drion

Gepubliceerd

Nederlands Juristenblad, nr. 30, 31 augustus 2007

publicatiedatum : vrijdag 31 augustus 2007

Deel dit via: linkedin facebook twitter email
Coen Drion

(thans raadsheer bij de Hoge Raad)