Zoeken

Nieuwsbrief

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens niet nakoming terugbetalingtoezegging

Hoge Raad 26 maart 2010, LJN: BK9654

Essentie

Aansprakelijkheid jegens de bank van een bestuurder die eerst namens de vennootschap toezegt dat met de verwachte (en naar achteraf blijkt; enige) inkomsten kredieten afgelost zouden worden, maar vervolgens door het wegsluizen van deze inkomsten bewerkstelligt dat die toezegging niet wordt nagekomen, terwijl hij weet dat de vennootschap overigens geen verhaal biedt.

Samenvatting

X organiseerde in 1993 in samenwerking met WNF een televisieledenwervingsactie. Ter financiering verstrekte bank Y aan X een krediet van f 5.000.000. Daarnaast had X nog een krediet bij Y. De vordering van X op WNF aangaande de vergoeding voor de door X te verrichten activiteiten was door X verpand aan Y. Vervolgens ontstond er een geschil tussen X en WNF over de verschuldigde vergoeding. Ter verkrijging van een uitstel van de aflossingsverplichtingen heeft A, bestuurder van X, namens X aan Y toegezegd dat X het uit een schikking met WNF te ontvangen bedrag zou aanwenden ter aflossing van de kredieten. A heeft er vervolgens echter voor gezorgd dat het schikkingsbedrag van f 900.000 werd weggesluisd, daarmee bewerkstelligende dat X de toezegging aan Y niet nakwam. In onderhavige procedure vordert Y op grond van onrechtmatige daad betaling van f 900.000 door A.

Het hof overwoog onder meer dat A door het wegsluizen van het schikkingsbedrag voorafgaand aan het moment waarop Y bekendheid met het betaalde schikkingsbedrag verkreeg, verhaal via bijvoorbeeld conservatoire beslaglegging feitelijk illusoir had gemaakt. Bovendien wist A dat X ook overigens geen verhaal bood, aldus het hof. Volgens het hof diende uit deze feitelijke gang van zaken betalingsonwil aan de kant van A jegens Y te worden afgeleid, waarvan A persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken.

In cassatie klaagt A onder meer dat het hof een onjuiste maatstaf voor aansprakelijkheid van een bestuurder heeft aangelegd. Zo zou het hof hebben miskend dat het een bestuurder in beginsel vrij staat om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. De klachten falen, nu volgens de Hoge Raad het hof door te onderzoeken of A persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken, de juiste maatstaf niet heeft miskend.

In perspectief
Hoge Raad 8 december 2006, NJ 2006, 659

In zijn arrest van 8 december 2006, NJ 2006, 659 heeft de Hoge Raad beslist dat een bestuurder uit onrechtmatige daad jegens een onbetaald gebleven crediteur persoonlijk aansprakelijk kan zijn. In dat arrest worden twee gevallen van aansprakelijkheid onderscheiden:

  1. de bestuurder ging namens de vennootschap een verplichting aan, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen;
  2. de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

In de onderhavige zaak gaat het om categorie 2. Y verwijt A dat X de toezegging om het schikkingsbedrag van ƒ 900.000,-- aan te wenden om de kredieten af te lossen niet is nagekomen. De vraag of A hiervoor persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden, is afhankelijk van de vraag of hem een ernstig verwijt valt te maken. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2006 bij de invulling van het ernstig verwijt-vereiste voor de gevallen uit categorie 2 de nadruk gelegd op de voorzienbaarheid voor de bestuurder van de benadeling van de schuldeisers van de vennootschap. De Hoge Raad overwoog:
"Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen."
Het hof heeft onderzocht of A een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken. Het hof overwoog dat het voor A duidelijk was of had moeten zijn dat X de verplichtingen jegens Y niet kon nakomen. En verder overwoog het hof dat A heeft erkend dat er geen andere inkomstenbronnen waren. Hierin ligt het voorzienbaarheidscriterium besloten.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Peter van den Broek

Tel: +31 20 5506669
E-mail: peter.van.den.broek@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin