Tweede Kamer neemt wetsvoorstel aan: doorverkoop concertkaartjes beperkt
De Tweede Kamer heeft op 6 april 2010 een wetsvoorstel
aangenomen, waarin het doorverkopen van toegangskaarten voor onder
meer concerten en sportevenementen tegen woekerprijzen aan banden
wordt gelegd. Het wetsvoorstel, ingediend door Arda Gerkens (SP) en
Nicolien Van Vroonhoven-Kok (CDA), verbiedt niet de doorverkoop van
toegangskaarten in het algemeen maar wil consumenten wel beschermen
tegen de woekerprijzen die doorgaans worden
gevraagd.
Aanleiding wetsvoorstel
De indieners van het wetsvoorstel hebben geconstateerd dat er
vele tussenhandelaren actief zijn die zich bezighouden met het op
grote schaal doorverkopen van toegangskaarten voor concerten,
festivals en sportevenementen. Dit doorverkopen gebeurt
voornamelijk online en tegen prijzen die vele malen hoger liggen
dan de oorspronkelijke verkoopprijs. De tussenhandelaren kopen
dusdanig veel kaarten op, aldus Gerkens en Van Vroonhoven, dat het
hierdoor lastig is voor het publiek om via de reguliere verkoop aan
toegangskaarten te komen. De consument die graag naar een bepaald
evenement toe wil, zal dus dieper in de buidel moeten tasten en een
toegangskaart aanschaffen bij een tussenhandelaar. Ook is het voor
een consument niet altijd duidelijk of hij bij een tussenhandelaar
of via het officiƫle verkoopkanaal een aankoop doet.
Naast de gestelde benadeling van de consument, voeren de
indieners aan dat de massale tussenhandel ook tot nadeel leidt voor
de organisatoren van evenementen en artiesten. Organisatoren zouden
een slecht beeld krijgen van de daadwerkelijke belangstelling voor
een evenement, omdat op grote schaal kaarten worden opgekocht door
tussenhandelaren. Daar wordt bijvoorbeeld de inzet van personeel
tijdens een evenement op afgestemd. Voor artiesten kan dit
betekenen dat zij rekenen op een uitverkochte concertzaal, terwijl
dat in de praktijk niet altijd zo is: als de tussenhandelaren wel
veel toegangskaarten opkopen, maar niet weer
kwijtraken.
Maximum prijs bij consumentenkoop
Het wetsvoorstel voegt een artikel toe aan boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek (BW), het boek waarin onder meer
(consumenten)koop wordt geregeld. In het voorgestelde artikel wordt
bepaald dat een professionele handelaar die een toegangskaart
verkoopt, hierbij geen hogere prijs dan de op de toegangskaart
vermelde oorspronkelijke verkoopprijs mag hanteren. Het
wetsvoorstel spitst zich dus toe op consumentenkoop, waarbij de
verkopende partij handelt in 'de uitoefening van beroep of
bedrijf'. Doorverkoop door particulieren valt hiermee buiten de
reikwijdte van dit wetsvoorstel. De voorgestelde wetsbepalingen
zijn van dwingend recht voor consumenten.
Overigens geldt dat de tussenhandelaar wel een prijsverhoging
mag toepassen voor zover deze verband houdt met de rechtstreekse
kosten voor administratie en verzending zo lang deze kosten niet
'kennelijk onredelijk' zijn. Een prijsverhoging van 20% wordt
volgens het wetsvoorstel in elk geval als kennelijk onredelijk
beschouwd, maar het voorstel laat de ruimte om ook lagere
verhogingen als kennelijk onredelijk te zien.
Indien een consument een toegangskaart koopt bij een
tussenhandelaar die een kennelijk onredelijke prijsverhoging heeft
toegepast, dan is het bedrag dat de consument bovenop de
oorspronkelijke verkoopprijs heeft betaald 'onverschuldigd betaald'
zoals bedoel in artikel 203 van boek 6 BW. Een onverschuldigde
betaling wil zeggen dat er geen rechtsgrond bestaat voor de
betaling, en de betaling kan dan ook worden teruggevorderd. Het
wetsvoorstel biedt de consument dus de mogelijkheid om het teveel
betaalde te vorderen bij de tussenhandelaar waar hij zijn
toegangskaart heeft aangeschaft. Voordat het evenement heeft
plaatsgevonden kan de consument onder het wetsvoorstel ook overgaan
tot vernietiging van een koopovereenkomst die in strijd met het
voorgestelde wetsartikel tot stand is gekomen. Als een overeenkomst
wordt vernietigd is het of deze nooit heeft bestaan: de consument
heeft ook in dat geval de koopprijs onverschuldigd betaald en kan
dit terugvorderen.
Handhaving en zelfregulering
Als de terugvordering van het teveel betaalde op grond van
onverschuldigde betaling niet leidt tot terugbetaling door de
tussenhandelaar, dan kan de consument zich wenden tot de civiele
rechter.
Ook wordt er door de branchevereniging voor de secundaire
kaartverkoop EUSTA (EU Secondary Ticketing Association) gewerkt aan
een gedragscode en het oprichten van een geschillencommissie onder
de vleugels van de Stichting Geschillencommissies voor
Consumentenzaken.
Een eerdere versie van het wetsvoorstel was ook gericht op het
wijzigen van de Wet handhaving consumentenbescherming, waarbij een
rol was weggelegd voor de Consumentenautoriteit. Na kritiek tijdens
de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is dit
onderdeel gesneuveld, te meer nu de EUSTA ook met een serieus
aanbod voor zelfregulering is gekomen. Wel biedt het wetsvoorstel
de mogelijkheid om - mocht de zelfregulering niet tot het gewenste
effect leiden - nadere regels te stellen door middel van een
algemene maatregel van bestuur.
En nu?
Inmiddels is het wetsvoorstel door de Tweede Kamer aangenomen.
De volgende stap is behandeling in de Eerste Kamer. De indieners
van het voorstel hopen dat deze behandeling nog voor de Tweede
Kamer verkiezingen zal plaatsvinden.
Mocht het wetsvoorstel ook de Eerste Kamer overleven, dan is het
nog afwachten of de wet ook de juiste uitwerking zal hebben. Zo zal
een consument wellicht niet de moeite nemen om naar de rechter te
stappen met zijn vordering. Dit kost tijd en geld, terwijl het vaak
om relatief lage bedragen zal gaan. Wel kan hier een rol zijn
weggelegd voor belangenorganisaties, die op grond van een zogeheten
'collectieve actie' de gang naar de rechter kunnen maken namens
gedupeerden. Drie jaar na inwerkingtreding van de wet zal de
effectiviteit hiervan worden geƫvalueerd, zo is de bedoeling.