Mogen voetbalclubs een opleidingsvergoeding vragen?
Hof van Justitie van de Europese Unie, 16 maart 2010,
C-325/08
De feiten
Het Handvest van het beroepsvoetbal van de Franse voetbalbond
("Handvest") bevat de regel dat spelers in de leeftijd
van 16 tot 22 jaar met een beloftecontract, na hun opleiding bij
een profclub op straffe van een schadevergoeding een eerste
profcontract moeten tekenen bij deze club.
In 1997 tekende jeugdspeler Bernard een beloftecontract bij
Olympique Lyonnais ("Olympique") voor de duur van drie
seizoenen. Voor afloop van het contract bood Olympique hem een
profcontract aan. Bernard weigerde dit te ondertekenen en sloot in
augustus 2000 een profcontract bij Newcastle UFC
("Newcastle"). Toen Olympique dit ter ore kwam,
dagvaardde zij Bernard en vorderde een schadevergoeding van €
53.357,16. Dit bedrag stond gelijk aan het salaris dat Bernard
verdiend zou hebben als hij bij Olympique had getekend. De
vordering werd toegewezen en Bernard ging in hoger beroep. Bernard
werd in het gelijk gesteld met als reden dat er sprake was van
belemmering van het vrije verkeer van werknemers. Olympique ging
daarop in cassatie bij het Court de Cassation. Het Court de
Cassation stelde het Hof van Justitie de volgende prejudiciële
vragen:
- Verzet het in artikel 39 EG neergelegde beginsel van het
vrije verkeer van werknemers zich tegen een bepaling van
nationaal recht op grond waarvan een speler van de categorie
belofte, die bij afloop van zijn opleidingsperiode een contract
als beroepsspeler tekent bij een club uit een andere lidstaat
van de Europese Unie, kan worden gelast schadevergoeding te
betalen?
- Zo ja, vormt de noodzaak om de indienstneming in opleiding
van jonge beroepsspelers aan te moedigen een legitieme
doelstelling of een dwingende reden van algemeen belang die een
dergelijke beperking kan rechtvaardigen?
Standpunten partijen
Olympique stelde dat geen sprake was van belemmering van het
vrije verkeer van werknemers, nu Bernard onder de enige voorwaarde
dat hij een schadevergoeding aan zijn vorige club betaalde, vrij
een contract als beroepsspeler kon tekenen bij een club uit een
andere lidstaat. Newcastle, de regeringen van Frankrijk, Italië,
Nederland, het Verenigd Koninkrijk ("Regeringen"),
alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen
("Commissie") waren het hier niet mee eens. Newcastle
meende dat elke opleidingsvergoeding onverenigbaar is met het
beginsel van het vrije verkeer van werknemers, aangezien de
indienstneming en de opleiding van jonge spelers geen dringende
reden van algemeen belang vormde die een dergelijke beperking kon
rechtvaardigen.
De Regeringen en de Commissie betoogden dat het aanmoedigen van
de indienstneming en het opleiden van jonge voetballers wel een
legitieme doelstelling vormde. Daarbij tekenden zij echter aan dat
de opleidingsvergoeding een evenredige maatregel diende te zijn in
de verwezenlijking van deze doelstelling.
Oordeel van
het Hof
Het Hof oordeelde dat allereerst vastgesteld diende te worden
dat een regel als de onderhavige de speler er van kan weerhouden
zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen. Er kan echter een
rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van
werknemers zijn. Daarbij overwoog het Hof dat een maatregel die het
vrije verkeer van werknemers belemmert, slechts toelaatbaar is
wanneer hij een legitieme, met het verdrag verenigbare doelstelling
nastreeft en zijn rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van
algemeen belang. Daarnaast moet in een dergelijk geval de
toepassing van de betrokken maatregel geschikt zijn om de
verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling te verzekeren en
niet verder gaan dan ter bereiking van deze doelstelling
noodzakelijk is.
Gelet op het grote maatschappelijke belang van voetbal in de
Unie, moest volgens het Hof worden erkend dat aanmoediging van de
indienstneming en opleiding van jonge spelers een legitieme
doelstelling is. Het vooruitzicht een opleidingsvergoeding te
ontvangen, kan voetbalclubs aansporen op zoek te gaan naar talent
en jonge spelers op te leiden. Daarnaast geldt dat de kosten om de
opleiding van jonge spelers in het algemeen slechts gedeeltelijk
gecompenseerd worden door de winst die de opleidingsclub gedurende
opleidingsperiode uit deze spelers kan halen. Dat zou tot gevolg
kunnen hebben dat de opleidingsclubs worden ontmoedigd te
investeren. Dat achtte het Hof niet wenselijk.
De maatregel om dit doel te bereiken moet evenwel geschikt zijn
om de doelstelling te verwezenlijken en evenredig zijn. In het
onderhavige geval was sprake van een schadevergoeding die betaald
moest worden vanwege het niet nakomen van de contractuele
verplichtingen. Dit bedrag stond los van de werkelijke
opleidingskosten. Dat achtte het Hof een onjuiste maatstaf. De
regel in het Handvest ging verder dan nodig om het legitieme doel,
indienstneming en opleiding van jonge spelers, te bereiken. De in
de regel opgenomen schadevergoeding was dan ook niet noodzakelijk
om de verwezenlijking van de doelstelling te
waarborgen.
Conclusie
Voetbalclubs kunnen een opleidingsvergoeding eisen indien
spelers besluiten na hun opleiding, bij een voetbalclub in een
andere lidstaat in dienst te treden. Dit is niet in strijd met het
beginsel van het vrije verkeer van werknemers omdat het doel is om
voetbalclubs aan te moedigen jonge spelers op te leiden en in
dienst te nemen. Voorwaarde is wel dat de opleidingsvergoeding de
werkelijk gemaakte opleidingskosten niet overstijgt.