Aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten (art. 6:171 BW).
Hoge Raad 18 juni 2010, LJN: BL9596 en BL9690
Essentie
Artikel 6:171 BW is, ofschoon aan haar de gedachte
ten grondslag ligt dat een buitenstaander veelal niet kan
onderscheiden of de schade te wijten is aan een fout van een
ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het
desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, ook van toepassing
als de schade duidelijk is veroorzaakt door een fout van een
niet-ondergeschikte.
Samenvatting
X heeft aan Y de opdracht gegeven een bij haar in gebruik zijnd
perceel grond, bestemd voor de bloembollenteelt, te bespuiten met
het bestrijdingsmiddel Round Up. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd
door Y. Het bedoelde perceel grensde aan een perceel grond van Z,
waarop deze penen teelde. Z had een overeenkomst gesloten met A,
inhoudende de levering van de opbrengst penen van haar perceel. Ten
tijde van de levering bleken de penen echter gebreken te vertonen
waardoor deze ongeschikt waren voor consumptie. A heeft daarop de
partij penen afgekeurd en geweigerd de koopprijs te betalen. Nadat
uit deskundigenonderzoek was gebleken dat de gebreken een gevolg
waren van de door Y verrichtte bespuitingswerkzaamheden heeft Z
eerst Y en daarna ook X aansprakelijk gesteld voor de door haar
geleden schade.
De rechtbank oordeelde dat X en Y hoofdelijk aansprakelijk waren
jegens Z voor de door haar geleden schade. In het door X tegen dit
vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof het vonnis van de
rechtbank vernietigd voor zover het de hoogte van het de
vastgestelde schadevergoeding betreft, en voor het overige
bekrachtigd.
Het door X tegen dit arrest ingestelde cassatieberoep stelt de
vraag aan de orde of de in geding zijnde bespuitingswerkzaamheden
zijn verricht ter uitoefening van het bedrijf van X. De Hoge Raad
overweegt dat het hof uit de mate waarin X bij het verzorgen van de
bespuiting betrokken was en uit de omstandigheid dat X ook zelf
beschikt over een licentie om te spuiten heeft afgeleid dat dit
inderdaad het geval was. Dit oordeel geeft niet blijk van een
onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, noch
onvoldoende gemotiveerd, aldus de Hoge Raad. Weliswaar berust art.
6:171 BW onder meer op de gedachte dat een buitenstaander veelal
niet kan onderkennen of de schade te wijten is aan een fout van een
ondergeschikte of van een ander die ter uitoefening van het
desbetreffende bedrijf werkzaamheden verricht, maar dat brengt niet
mee dat de bepaling toepassing zou missen in een geval waarin het
de benadeelde duidelijk is dat de schade is veroorzaakt door een
niet-ondergeschikte.
Overigens doen X en Y een beroep op de schadebeperkingsplicht
van Z. Aan de inhoudelijke beoordeling van dit beroep komt de Hoge
Raad niet toe, nu het oordeel van het hof alleen al gezien de
berekening van de hoogte van de schade onbegrijpelijk is.
In perspectief
Art. 6:171 BW bepaalt dat, indien een
niet-ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter
uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde
aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, ook
die ander jegens de derde aansprakelijk is.
In het arrest Delfland/Stoeterij (HR 21 december 2001, NJ 2002,
75) heeft de Hoge Raad invulling aan het criterium "in de
uitoefening van diens bedrijf" proberen te geven en geoordeeld
dat art. 6:171 BW restrictief moet worden opgevat.
Aansprakelijkheid voor onrechtmatig handelen van een
niet-ondergeschikte opdrachtnemer bestaat alleen indien het gaat om
werkzaamheden die een opdrachtgever ter uitoefening van zijn
bedrijf door die opdrachtgever doet verrichten. Aansprakelijkheid
kan niet worden aangenomen indien de benadeelde de 'dader'
en het bedrijf van diens opdrachtgever niet als een zekere eenheid
kan beschouwen (het zogeheten "eenheidscriterium"). Het
artikel berust op de gedachte dat de eenheid die een onderneming
naar buiten vormt, behoort mee te brengen dat een buitenstaander
die schade lijdt en voor wie het niet is te onderkennen of deze
schade is te wijten aan een fout van een ondergeschikte of van een
ander die ter uitoefening van het desbetreffende bedrijf
werkzaamheden verricht, zich aan deze onderneming kan houden. Die
situatie kan zich volgens de wetsgeschiedenis met name voordoen,
omdat de ondernemer werkzaamheden ter uitoefening van zijn bedrijf
aan niet-ondergeschikte opdrachtnemers kan overlaten, zonder dat
dit naar buiten kenbaar is.
In onderhavig geschil was het voor de benadeelde op voorhand
duidelijk door wie de schade was veroorzaakt, namelijk door de
niet-ondergeschikte. Dit hoeft er naar het oordeel van de Hoge Raad
echter niet aan in de weg te staan dat de benadeelde ook in die
gevallen - naast de niet-ondergeschikte - tevens de opdrachtgever
kan aanspreken voor zijn schade. Indien er tussen het handelen van
de opdrachtgever en de niet-ondergeschikte een dusdanige
verwevenheid bestaat dat de inbreng van ieder van hen voor een
buitenstaander niet van meet af aan bekend is, is het voor de
benadeelde onduidelijk wie voor wat verantwoordelijk is en tot wie
hij zich in dat verband nu eigenlijk moet richten. De
niet-ondergeschikte en de opdrachtgever kunnen ook in die situatie
als een zekere eenheid worden beschouwd, waarbij sprake is van het
uitoefenen van werkzaamheden door de niet-ondergeschikte ter
uitoefening van het bedrijf van de opdrachtgever.