Discussie over het begrip reisorganisator door Hoge Raad beslecht
Hoge Raad 11 juni 2010, LJN:
BL8510
Essentie
De enkele omstandigheid dat een reisbureau op verzoek en
initiatief van een reiziger een pakketreis vastlegt of verkoopt,
betekent niet dat het reisbureau als reisorganisator kan worden
gekwalificeerd. Vereist is dat het reisbureau op eigen naam heeft
gehandeld.
Samenvatting
De Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (ANVR)
en de Stichting Garantiefonds Reisgelden (SGR) hebben zich door
middel van een akte van prorogatie tot het hof gewend om een tussen
hen reeds lange tijd ter discussie staande rechtsvraag ter
beoordeling voor te leggen, zonder dat van een concrete zaak sprake
is. Partijen wensen duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of
sprake is van een reisovereenkomst in de zin van artikel 7:500 BW,
wanneer een reisagent op verzoek en initiatief van een reiziger
verschillende toeristische diensten die tezamen een pakketreis
vormen, voor de reiziger vastlegt of aan de reiziger verkoopt. SGR
heeft middels een gevorderde verklaring voor recht een bevestigende
beantwoording bepleit en ANVR middels een gevorderde
spiegelbeeldige verklaring voor recht het tegenovergestelde. Het
hof heeft zowel de door ANVR als de door SGR gevorderde
spiegelbeeldige verklaringen voor recht afgewezen, waarna SGR in
cassatie is gegaan. De Hoge Raad stelt vast dat voor de
kwalificatie van een reisovereenkomst is vereist dat een
reisorganisator zich verbindt jegens zijn wederpartij tot het
verschaffen van (kort gezegd) een pakketreis. Van een pakketreis is
op grond van het Club-Tour/Garrido-arrest van het Hof van Justitie
reeds sprake indien een reisbureau op verzoek en initiatief van de
reiziger een reis, bestaande uit verschillende door andere
reisorganisaties aangeboden diensten, samenstelt en als zodanig aan
de reiziger aanbiedt. Op grond van het BW wordt onder een
reisorganisator verstaan degene die in de uitoefening van zijn
bedrijf op eigen naam pakketreizen aanbiedt. Het op eigen naam
aanbieden van een pakketreis, houdt in dat het reisbureau zichzelf
jegens de reiziger verbindt tot het verschaffen van de
overeengekomen reis en aldus zelf partij is bij de
reisovereenkomst. Hoewel de richtlijn pakketreizen het begrip "op
eigen naam" niet kent, laat deze wel ruimte voor het "op eigen
naam"-criterium zoals in het BW is opgenomen. Volgens de richtlijn
is immers bedoeld dat alleen de organisator en/of de doorverkoper
die partij zijn bij de overeenkomst tegenover de consument
aansprakelijk zijn voor de goede uitvoering van de uit de
overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Gelet hierop is niet in
strijd met de door de richtlijn bedoelde bescherming dat het
reisbureau dat niet zelf partij is bij de reisovereenkomst, omdat
het daarbij niet op eigen naam heeft gehandeld, niet onder het
aansprakelijkheidsregime van de richtlijn valt. De Hoge Raad
concludeert dan ook dat de enkele omstandigheid dat een reisbureau
op verzoek en initiatief van een reiziger verschillende
toeristische diensten die tezamen een pakketreis vormen, vastlegt
of verkoopt, niet betekent dat het reisbureau als reisorganisator
kan worden gekwalificeerd dan wel partij is bij een
reisovereenkomst. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep
af.
In perspectief
In deze zaak laat de Hoge Raad zich uit over de begrippen
reisovereenkomst en reisorganisator. Het belang van kwalificatie
van deze begrippen is gelegen in de bescherming die de reiziger
daardoor geniet. Indien een reiziger een reisovereenkomst afsluit,
is de reisorganisator jegens haar aansprakelijk voor de goede
uitvoering van de reisovereenkomst. Daarnaast geniet de reiziger
bescherming tegen financieel onvermogen van de reisorganisator.
SGR heeft als garantiefonds eveneens eens belang bij de
kwalificatie van deze begrippen. Zo kan een reisonderneming die als
reisorganisator wordt gekwalificeerd ingeval van faillissement van
een hulppersoon geen beroep doen op het garantiefonds.
SGR had aldus belang bij een uitspraak over de kwalificatie van
de begrippen reisovereenkomst en reisorganisator. Met name een
ruime kwalificatie van het begrip reisorganisator zou voor haar
gunstig zijn. SGR probeerde daarom om een verklaring voor recht te
verkrijgen, die er kort gezegd op neer kwam dat alle reisbureaus
die een, al dan niet op initiatief van de reiziger, samengestelde
pakketreis verkopen of doorverkopen, als reisorganisators zouden
worden aangemerkt.
Dit gaat de Hoge Raad echter te ver. De Hoge Raad houdt vast aan
het "op eigen naam"-criterium, dat inhoudt dat het reisbureau op
eigen naam de reisovereenkomst moet hebben gesloten, wil hij als
reisorganisator worden aangemerkt. Reisbureaus die slechts als
boekingskantoor of reisagent fungeren en in naam van een ander
bemiddelen bij de totstandkoming van een reisovereenkomst, dienen
derhalve niet als reisorganisator te worden aangemerkt. Pas wanneer
het reisbureau op eigen naam de reisovereenkomst heeft gesloten, en
zich aldus zelf jegens de reiziger heeft verbonden tot het
verschaffen van de overeengekomen reis, is hij zelf partij bij de
reisovereenkomst en kan hij als reisorganisator worden aangesproken
voor de goede uitvoering van de uit reisovereenkomst voortvloeiende
verplichtingen. Dit strookt, althans is niet in strijd, met de
bescherming die de richtlijn pakketreizen biedt. Immers, volgens de
richtlijn is juist het reisbureau dat partij is bij de
reisovereenkomst tegenover de reiziger aansprakelijk voor de goede
uitvoering van de reis.