Instemmingsrecht OR ter zake individueel besluit bij uitzondering mogelijk
Een bespreking van Hof Amsterdam 9 maart 2010, LJN:
BN1325
Instemmingsrecht OR ter zake het
aanstellingsbeleid bij de politie
In deze zaak gaat het om een aanstellingsbesluit van het
Politiekorps Amsterdam-Amstelland ('het Politiekorps'). In 1995 is
ook de publieke sector onder het medezeggenschapsregime van de Wet
op de Ondernemingsraden ('WOR') gebracht. Ook de overheidswerkgever
behoeft derhalve de instemming van de OR voor elk door hem
voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van
een regeling op het gebied van het aanstellingsbeleid (art. 27 lid
1 sub e WOR). Hieronder vallen bijvoorbeeld regels ten aanzien van
sollicitatieprocedures, aannemen van bepaalde categorieën
werknemers en soort aanstellingen. Indien zo'n besluit zonder de
instemming van de OR wordt genomen kan de OR onder meer de
kantonrechter verzoeken voor recht te verklaren dat het besluit
nietig is en de werkgever te verplichten zich te onthouden van
uitvoering hiervan.
Feiten, stellingen en
procesverloop
Het Politiekorps heeft C aangesteld als Chef Operationele Zaken
District 1. De OR is van mening dat het Politiekorps hiervoor de
instemming van de OR nodig had. Zij stelt dat in het
aanstellingsbesluit een wijziging ligt besloten van het
aanstellingsbeleid. Op grond van dit beleid dienen volgens de OR
sollicitanten voor de betrokken functie een wetenschappelijke
opleiding te hebben afgerond. Tevens dient de Vertrouwenscommissie
de gelegenheid worden geboden een gesprek met de sollicitant te
hebben en een advies uit te brengen aan de korpschef. Volgens de OR
is aan beide vereisten niet voldaan. Door C desondanks toch aan te
stellen, is er sprake van een wijziging van het aanstellingsbeleid,
aldus de OR. Zij verzoekt de kantonrechter dan ook voor recht te
verklaren dat het aanstellingsbeleid de instemming van de OR
behoefde en dat dit besluit vanwege het ontbreken hiervan nietig
is. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. De OR is hiervan
in hoger beroep gegaan.
Het hof
Ook het hof wijst het verzoek van de OR af. Ten aanzien van het
niet handhaven van de opleidingseis overweegt het hof dat niet
gesproken kan worden van een gedragslijn van het Politiekorps
waaruit een stelselmatig afwijken blijkt van de opleidingseisen
zoals die in de visie van de OR gelden. Volgens het hof ontbreken
relevante voorbeelden die een dergelijke gedragslijn kunnen
onderschrijven. Ten aanzien van het nalaten de Vertrouwenscommissie
te betrekken, overweegt het hof in de eerste plaats dat de
Vertrouwenscommissie wel de gelegenheid is geboden een gesprek te
voeren met C, maar dat dit gesprek niet door is gegaan. Het had de
korpschef volgens het hof desondanks niet misstaan om de
Vertrouwenscommissie nogmaals te vragen om advies uit te brengen in
plaats van op stel en sprong tot benoeming van C over te gaan. Een
en ander komt het hof echter voor als een incident, waaruit geen
wijziging van beleid kan worden afgeleid. Op basis van het
voorgaande komt het hof tot de conclusie dat aan het
aanstellingsbesluit geen algemene strekking kan worden toegekend,
hetgeen voor het bestaan van instemmingsrecht wel vereist
is.
Tips:
- De voorschriften uit de WOR, waaronder de verplichting
voorafgaand aan het nemen van bepaalde besluiten advies te
vragen dan wel deze ter instemming voor te leggen aan de OR,
gelden ook voor de overheidswerkgever.
- Indien de werkgever het aanstellingbeleid binnen de
organisatie wil wijzigen, dient de OR om instemming gevraagd te
worden. Van een wijziging van dit beleid kan al sprake zijn
indien de werkgever stelselmatig afwijkt van de voorschriften
die hieruit volgen.
- Indien de werkgever nalaat instemming te vragen aan de OR
waar dit wel geboden is, kan dit ertoe leiden dat de rechter
het genomen besluit nietig verklaart en beveelt de gevolgen
daarvan ongedaan te maken.