Conceptwetsvoorstel versterking bestrijding computercriminaliteit leidt tot machtspositie voor de Officier van Justitie
Met een conceptwetsvoorstel van 28 juli wil demissionair
minister Hirsch Ballin de strafrechtelijke maatregelen versterken
ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer op internet. De
redenen hiervoor zijn de snelle ontwikkelingen op het terrein van
de informatie- en communicatietechnologie. In de praktijk blijkt
namelijk steeds vaker dat het overnemen van computergegevens en het
verspreiden van gegevens via internet steeds eenvoudiger wordt. Dit
roept voortdurend de vraag op of de huidige regelingen nog
voldoende zijn toegespitst om computercriminaliteit effectief te
bestrijden.
Voorgestelde wijzigingen in het kort
Het wetsvoorstel bevat een drietal wijzigingen. Om te beginnen
worden de strafrechtelijke bepalingen verruimd die zien op het
afluisteren, aftappen of opnemen van vertrouwelijke communicatie,
zulks in lijn met de wetgeving zoals deze geldt in Frankrijk en
Duitsland. Daarnaast wordt onder meer het 'helen' van
computergegevens strafbaar gesteld, dat wil zeggen het illegaal
overnemen van computergegevens en het beschikken over of bekend
maken van wederrechtelijk overgenomen gegevens. De persoon die de
gegevens in de eerste plaats heeft ontvreemd, en ook diegene die
deze gegevens heeft ontvangen, zijn strafbaar. Naast deze
wijzigingen op het gebied van materieel strafrecht roept het
voorstel een nieuwe bevoegdheid van de Officier van Justitie in het
leven. Zo zal hij de zelfstandige bevoegdheid krijgen om te
vorderen dat gegevens op internet ontoegankelijk worden gemaakt.
Dit is een zeer ingrijpende wijziging, zoals wij hieronder nader
zullen toelichten na een schets van de huidige situatie.
Huidige situatie ten aanzien van het ontoegankelijk
maken van gegevens op het internet
Momenteel heeft de Officier van Justitie de bevoegdheid om, ná een
voorafgaande schriftelijke machtiging van de Rechter-commissaris,
te vorderen van een aanbieder van een communicatiedienst dat deze
gegevens ontoegankelijk maakt. Deze voorafgaande schriftelijke
machtiging van de Rechter-commissaris biedt een waarborg van ons
rechtsstelsel. De Officier van Justitie als uitvoerende macht en de
Rechter-commissaris in functie van de rechterlijke macht. De
tussenkomst van de Rechter-commissaris voorkomt dat er een te
snelle en te vergaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting
wordt gemaakt en vormt ook een preventie voor mogelijke zelfcensuur
van tussenpersonen.
Nu is dit geregeld in het Wetboek van Strafrecht. Vanuit
systematisch oogpunt is het wenselijk om deze bevoegdheid op te
nemen in het Wetboek van Strafvordering, nu daar de bevoegdheden
worden geregeld. Dat wordt bereikt met het huidige voorstel; deze
bevoegdheid van de Officier van Justitie wordt als zelfstandige
bevoegdheid opgenomen in het Wetboek van Strafvordering.
Gevolgen wenselijk voor de praktijk?
De voorgestelde wijziging ten aanzien van de bevoegdheid van de
Officier van Justitie om gegevens op het internet ontoegankelijk te
kunnen maken is er een die, naar wij denken, stof zal doen opwaaien
alvorens het tot een definitief wetsvoorstel komt. De reden
daarvoor is dat er wordt voorgesteld om het vereiste van een
voorafgaande schriftelijke machtiging van de Rechter-Commissaris te
laten vervallen. In de memorie van toelichting bij het concept
wetsvoorstel wordt kort uitgelegd waarom:
"Mede door introductie van de mogelijkheid zich bij de
raadkamer van de rechtbank over de vordering te beklagen, is
handhaving van de [huidige] voorwaarde van een voorafgaande
schriftelijke machtiging door de Rechter-commissaris, niet meer
noodzakelijk."
Dit is echter niet toereikend voor een zeer essentiële
wetswijziging. Door dit criterium te schrappen krijgt de Officier
van Justitie namelijk in beginsel vrij spel. Als een partij het
niet eens is met de beslissing van de Officier om gegevens op het
internet ontoegankelijk te maken, zal deze een beklagprocedure
moeten starten bij de raadkamer. Dit betekent dat er enkel achteraf
sprake is van enige vorm van toetsing. En dan alleen in die
gevallen waarin er door de benadeelde partij een procedure wordt
gestart. Dit kan niet de bedoeling zijn geweest van de
minister.
Daarnaast is het onduidelijk in welke gevallen de Officier
gebruik van deze bevoegdheid kan maken. Is dat alleen wanneer een
tussenpersoon niet op vrijwillige basis gegevens ontoegankelijk
maakt op basis van de 'Notice and Take Down' Gedragscode
omdat de gegevens dan wel uiting niet onmiskenbaar onrechtmatig
zijn? Dit betekent dat de Officier van Justitie dan zal bepalen of
iets wel of niet strafbaar is. Of kan de Officier direct, zonder
dat eerst een beroep op the 'Notice and Take Down'
Gedragscode te hebben gedaan, toegang tot bepaalde gegevens
verbieden? En hoe verhoudt zich dat met de vrijheid van
meningsuiting? Het concept wetsvoorstel biedt weinig duidelijkheid.
Het criterium is dat de Officier een dergelijke vordering kan
indienen voor zover dit nodig is ter beëindiging van een strafbaar
feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Meer
duidelijkheid hierover is op zijn minst wenselijk te noemen.
Conclusie
Meer grip krijgen op het fenomeen 'cybercrime' is lastig en
elke poging verdient dan ook positieve bijval. Het doel van dit
conceptwetsvoorstel is het versterken van de bestrijding van de
computercriminaliteit. Dat lijkt ons anno 2010, waarbij de
technologie een steeds belangrijkere positie binnen de
criminaliteit inneemt, een terecht streven. Hierbij moeten echter
de beginselen van de rechtsstaat niet uit het oog worden verloren.
Immers, het concept wetsvoorstel behelst in onze optiek een grote
verruiming van de bevoegdheid van de Officier van Justitie die niet
toereikend is onderbouwd. De gevolgen kunnen enorm zijn wanneer de
Officier vrij spel krijgt op dit gebied en het zou zelfs de
vrijheid van meningsuiting die nu bestaat op het internet in gevaar
kunnen brengen.
Nu er nog sprake is van een consultatie ronde, kan een ieder
gefundeerd commentaar leveren op dit wetsvoorstel. Het valt te
hopen dat dit aanleiding geeft tot een terugkeer achter de
tekentafel om de wijzigingen nog eens grondig te doordenken en aan
te passen voordat dit wetsvoorstel definitief wordt.