Ontslag niet kennelijk onredelijk, omdat werknemer niet is ingegaan op aanbod outplacement
Kantonrechter Harderwijk, 22 juni 2011, JAR 2011/197
Achtergrond
Werkneemster is vanaf 1 oktober 1979 in dienst bij
werkgever. Per 1 maart 2011 heeft de werkgever de
arbeidsovereenkomst, na het verkrijgen van een ontslagvergunning
van UWV, wegens bedrijfseconomische redenen opgezegd. De
werkneemster start vervolgens een kennelijk onredelijk ontslag
procedure, waarin zij stelt dat het ontslag is gegeven op een
voorgewende reden. Zij doet daarnaast een beroep op het zogenaamde
‘gevolgencriterium’, zij stelt dat de gevolgen van de opzegging
voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de
werkgever bij de opzegging. Zij vordert een vergoeding van bijna €
65.000 en een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand.
Oordeel kantonrechter
De kantonrechter stelt vast dat de opzegging heeft
plaatsgevonden als gevolg van het vervallen van de arbeidsplaatsen
van werkneemster en haar collega. Aangezien het twee werknemers
betreft die als afdeling kunnen worden gezien, is het
afspiegelingsbeginsel niet van toepassing. De kantonrechter is
voorts van oordeel dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft
gemaakt dat het niet mogelijk is om werkneemster te herplaatsen.
Van een voorgewende reden is derhalve geen sprake.
Ten aanzien van het beroep van werkneemster op haar slechte
arbeidsmarktpositie, merkt de kantonrechter op dat werkneemster
niet heeft aangetoond dat zij heeft getracht om ander werk te
vinden. Bovendien heeft werkneemster een aanbod van de werkgever
voor outplacement afgewezen. Van de werkneemster had verwacht mogen
worden dat zij hierop positief zou hebben gereageerd dan wel met
een alternatief voorstel zou zijn gekomen. Dat de werkneemster
hiertoe niet bereid was zolang de procedure bij UWV nog niet was
afgerond, is begrijpelijk. Nadat de werkgever de ontslagvergunning
verkregen had, had werkneemster volgens de kantonrechter echter op
het aanbod voor outplacement moeten terugkomen. Als de werkgever op
dat moment niet meer bereid zou zijn geweest om het
outplacementtraject aan te bieden, zou dat een tekortkoming in de
nakoming van de verplichting van de werkgever om zich als goed
werkgever te gedragen hebben opgeleverd. Dat is nu echter niet het
geval.
Ook de overige door werkneemster aangevoerde argumenten voor
kennelijk onredelijk ontslag, te weten het niet aanbieden van een
afvloeiingsregeling, de non-actiefstelling van werkneemster en de
positieve financiële positie van werkgever, zijn volgens de
kantonrechter geen aanleiding om te concluderen dat er sprake is
van een kennelijk onredelijk ontslag. De vordering van werkneemster
wordt dan ook afgewezen.
Conclusie
De kantonrechter bevestigt met deze uitspraak nogmaals
dat er van een werknemer bij een (rechtsgeldig) ontslag een actieve
houding verwacht mag worden ten aanzien van het vinden van een
nieuwe baan. Dit geldt temeer als een werknemer zich in een
kennelijk onredelijk ontslag procedure, maar ook in een
ontbindingsprocedure, beroept op het gevolgencriterium en/of het
hebben van een slechte arbeidsmarktpositie. Het direct afwijzen van
een aanbod voor outplacement past daar niet bij. Indien een
werknemer nog in afwachting is van de uitkomst van de
ontslagprocedure, is het raadzaam om het outplacement aanbod niet
volledig af te wijzen, maar bijvoorbeeld een latere reactietermijn
af te spreken.
Voor een werkgever kan het voordelig zijn om een werknemer
outplacement aan te bieden, eventueel zelfs nadat de
ontslagvergunning is verleend. Hierdoor neemt de kans toe dat het
ontslag niet als kennelijk onredelijk wordt aangemerkt.