Bovenwettelijk instemmingsrecht door onvoorwaardelijke instemmingsaanvraag
Een bespreking van Kantonrechter Utrecht
(Voorzieningenrechter), 15 februari 2010, JAR
2010/63
De feiten
Een ondernemer ("X") had het voornemen nieuwe bedrijfskleding in
te voeren voor de medewerkers van een speciale unit ("SU"). Dit
voorgenomen besluit heeft X ter instemming aan de ondernemingsraad
("OR") voorgelegd. De OR heeft echter op onderdelen bezwaar tegen
dit voornemen en derhalve de gevraagde instemming onthouden. X
verklaarde zich daarop bereid af te zien van de 'draagplicht',
wanneer de OR daarvoor een alternatief zou aandragen. De OR droeg
echter geen alternatief aan en handhaafde zijn standpunt.
Vervolgens deelde X aan de OR mee dat zij had besloten het
kledingpakket, zoals voorgenomen, toch in te voeren. X stelde zich
daarbij op het standpunt dat het besluit niet viel onder het
instemmingsrecht, maar binnen het algemene instructierecht van de
werkgever om bedrijfskleding in te voeren. Daarop heeft de OR de
nietigheid van het besluit ingeroepen. X bleef echter bij haar
besluit en deelde de OR mee dat het niettemin zou worden
uitgevoerd. Uiteindelijk vorderde de OR in kort geding een verbod
tot uitvoering van het voorgenomen besluit. De OR meende dat hem
een bovenwettelijk instemmingsrecht was toegekend doordat X de OR
zonder enig voorbehoud om instemming had gevraagd.
Het
oordeel van de Kantonrechter
- Ondernemingsovereenkomst (artikel 32 WOR)
De kantonrechter stelt voorop dat X enkel op grond van artikel
27 WOR voor haar voorgenomen besluit niet de instemming van de OR
behoefde. De vraag is dan of X ingevolge artikel 32 WOR met de OR
is overeengekomen dat hem ten aanzien van de besluitvorming over
het kledingpakket voor de SU-medewerkers instemmingsrecht toekomt.
De kantonrechter beantwoordt deze vraag bevestigend onder
verwijzing naar de wetsgeschiedenis en rechtspraak van onder meer
de Ondernemingskamer. De door de Ondernemingskamer verwoorde regel
dat sprake is van een adviesplichtig besluit, indien zonder
voorbehoud of voorwaarde advies is gevraagd en de OR er op goede
gronden van is uitgegaan dat met het gevraagde advies een advies in
de zin van artikel 25 WOR werd bedoeld, dient analoog te worden
toegepast op een instemmingsaanvraag. Ook de regels over de
totstandkoming van overeenkomsten (zoals aanbod en aanvaarding) en
hetgeen omtrent rechtshandelingen is bepaald (gerechtvaardigd
vertrouwen, wil en verklaring) brengen deze uitleg met zich. Nu X
de OR onvoorwaardelijk, zonder enig voorbehoud en met
uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 27 WOR om instemming heeft
verzocht, mocht de OR er redelijkerwijs op vertrouwen dat hem het
instemmingsrecht in de zin van de wet werd toegekend. Mede gelet op
de eisen van goed ondernemerschap kan X daar niet meer op
terugkomen.
- Schriftelijkheidsvereiste van artikel 32
WOR
Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat aan het
schriftelijkheidvereiste van artikel 32 WOR is voldaan, nu X
schriftelijk om instemming heeft gevraagd en de OR schriftelijk van
die verleende bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het is niet
noodzakelijk dat een afzonderlijke schriftelijke overeenkomst wordt
gesloten. Dat het instemmingsrecht een ingrijpendere bevoegdheid
impliceert, brengt naar oordeel van de kantonrechter niet mee dat
bij de beantwoording van de vraag of aan het gestelde vereiste van
een schriftelijke overeenkomst is voldaan, een strengere toets moet
worden aangelegd dan in het geval een bovenwettelijk adviesrecht is
toegekend.
Kortom, aan de OR komt in dit geval het instemmingsrecht toe als
bedoeld in artikel 27 WOR. De kantonrechter verbiedt X om het
besluit op die punten, waarvoor de OR geen instemming had verleend,
uit te oefenen en wel gedurende vier maanden. Aldus heeft de OR
voldoende gelegenheid om zo nodig een bodemprocedure te
starten.
Aandachtspunten
- Uit deze uitspraak blijkt dat er geen zwaardere eisen
gesteld worden aan de toekenning van een bovenwettelijk
instemmingsrecht dan aan een bovenwettelijk adviesrecht, ook al
impliceert het instemmingsrecht een ingrijpendere bevoegdheid
dan het adviesrecht.
- Wanneer de ondernemer zonder voorbehoud of voorwaarde
instemming vraagt en de OR er op goede gronden vanuit kan gaan
dat met de gevraagde instemming een instemming in de zin van
artikel 27 WOR wordt bedoeld, zal er snel sprake zijn van een
bovenwettelijk instemmingsrecht. Daarbij is van belang dat aan
het schriftelijkheidsvereiste al is voldaan als de ondernemer
de OR schriftelijk om instemming vraagt en de OR daar
schriftelijk op reageert.
- Een ondernemer dient zich te realiseren dat op deze manier
een instemmingsrecht aan de OR kan worden toegekend en dat de
ondernemer daar niet zonder meer op terug kan komen. Het
verdient dus aanbeveling om goed op te letten op welke manier
en waarvoor een ondernemer buiten de wettelijke onderwerpen om
instemming vraagt.