Klagen is vormvrij
Hoge Raad 11 juni 2010, LJN: BL8297
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat het in artikel 6:89 BW bedoelde
protest vormvrij is, maar ook dat niet steeds met de enkele
mededeling aan de wederpartij kan worden volstaan dat de door deze
verrichte prestatie achterblijft bij hetgeen de verbintenis vergt;
in beginsel dient de schuldeiser zijn wederpartij, voor zover
mogelijk, tevens te informeren over de gestelde aard of omvang van
de tekortkoming. Niet vereist is dat de schuldeiser de relatie met
zijn wederpartij verbreekt.Feiten
X heeft op enig moment zijn vermogen overgeboekt naar een geld-
en effectenrekening bij Y. Deze trad onder andere op als
beleggings-/vermogensadviseur. De advisering werd aanvankelijk
verricht door medewerker 1. Nadat X het vertrouwen in hem had
opgezegd, zijn zijn werkzaamheden voortgezet door medewerker 2.
Daarna is op verzoek van X de beleggingsportefeuille geliquideerd.
De waarde was toen aanzienlijk gedaald. Meer dan een jaar daarna,
heeft X een brief verzonden aan Y met als opschrift:
'Klacht prestaties voormalig accountmanager en
vermogensadviseur'.
Rechtbank
De rechtbank acht het beroep op artikel 6:89 BW gegrond. De
rechtbank stelt vast dat X eerst op 15 december 2003 een
klachtbrief naar Y heeft gezonden en dat gesteld noch gebleken is
dat X voordien, bij zijn verzoek om een andere adviseur in oktober
2000 of op enig ander moment, Y op de hoogte heeft gebracht van de
concrete bezwaren die hij had tegen de wijze waarop hij door
medewerker 1 en later door medewerker 2 werd
geadviseerd.
Hof
Het hof verenigt zich met dit oordeel. Zij overweegt onder
andere dat ook het feit dat X heeft verzocht om een andere
vermogensadviseur op zichzelf, zonder bijkomstige omstandigheden
die niet zijn gesteld, niet als een concludente klacht of protest
kan worden aangemerkt.
Hoge Raad
De Hoge Raad casseert het arrest van het hof, omdat het hof haar
oordeel onbegrijpelijk had gemotiveerd. Hij overweegt in dit kader
dat het in artikel 6:89 BW bedoelde protest, gelet op artikel 3:37
lid 1 BW, vormvrij is, maar ook dat niet steeds met de enkele
mededeling aan de wederpartij kan worden volstaan dat de door deze
verrichte prestatie achter blijft bij hetgeen de verbintenis vergt;
in beginsel dient de schuldeiser zijn wederpartij, voor zover
mogelijk, tevens te informeren over de gestelde aard of omvang van
de tekortkoming. Niet vereist is echter dat de schuldeiser de
relatie met zijn wederpartij verbreekt.
In perspectief
Art. 6:89 BW luidt: "De schuldeiser kan op een gebrek
in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen
bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze
had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft
geprotesteerd." . De ratio van dit artikel is dat de
schuldenaar wordt beschermd doordat hij erop mag rekenen dat de
schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de
verbintenis beantwoordt en, indien dit niet het geval blijkt te
zijn, zulks, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt; zie
Parl. Gesch. Boek 6, blz. 316-317.
De Hoge Raad heeft de afgelopen jaren al meermalen over de
strekking en reikwijdte van artikel 6:89 BW geoordeeld. Zie
bijvoorbeeld
HR 11 mei 2001, LJN AB1565, waarin de Hoge
Raad oordeelde dat het opstellen en het toezenden van een
factuur niet kunnen gelden als een prestatie zoals in dit
artikel wordt bedoeld;
HR 23 maart 2007, LJN AZ3531 waarin de Hoge
Raad oordeelde dat artikel 6:89 BW slechts ziet op gevallen van
ondeugdelijke nakoming en niet (mede) op gevallen waarin in het
geheel geen prestatie is verricht;
HR 29 juni 2007, LJN AZ4850, op grond
waarvan zou kunnen worden betoogd dat artikel 6:98 BW mede ziet
op het geval dat opnieuw wordt gepresteerd nadat
'herstelwerkzaamheden' zijn verricht op verzoek, of na
sommatie, van degene jegens wie wordt gepresteerd;
HR 13 juli 2007, LJN BA3520 waarin de Hoge
Raad oordeelde dat de in artikel 6:89 BW besloten liggende
onderzoeksplicht en mededelingsplicht in beginsel niet betrokken
kunnen worden op de periode voorafgaande aan het moment dat de
schuldenaar zijn prestatie verricht;
HR 23 november 2007, LJN BB3733 waarin de
Hoge Raad oordeelde dat 6:89 BW niet kan worden omzeild door een
beroep op onrechtmatige daad te doen en dat op degene die de
prestatie heeft ontvangen de verplichting rust om te stellen, en
bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat en op welke wijze
zij tijdig en op een voor de wederpartij kenbare wijze heeft
geklaagd over de tekortkoming; en
HR 20 januari 2006, LJN AU4122 en
HR 23 november 2001, LJN AD5322 waaruit
volgt dat artikel 6:89 BW niet ambtshalve mag worden toegepast.
In de onderhavige uitspraak geeft de Hoge Raad richting aan de
wijze waarop moet worden geklaagd.