Zoeken

Nieuwsbrief

Bewijslastverdeling bij werkgeversaansprakelijkheid voor deugdelijkheid trap

Hoge Raad 21 mei 2010, LJN: BM0708

Essentie

Een werknemer komt ten val bij het werken met een trap en loopt daarbij letsel op. Op grond van de stellingen van de werkgever wordt vooralsnog aangenomen dat de gebruikte trap voldeed aan de aan een dergelijke trap te stellen veiligheidseisen. De werknemer slaagt niet in het leveren van voldoende tegenbewijs.

Samenvatting

In september 2000 was een werknemer bezig met het demonteren en monteren van systeemwanden met kozijnen en deuren. Op enig moment probeerde hij op een hoogte van 2,10 meter een raam te plaatsen boven een deur. Om daar bij te kunnen maakte de werknemer gebruik van een klein trapje, waarbij hij op de derde of vierde trede stond. Toen het hem niet lukte het raam te plaatsen en hij extra kracht zette, gleed hij van het trapje en stuiterde hij naar beneden. Daarbij liep hij letsel op aan zijn rug en been. De werknemer vorderde op grond van artikel 7:658 BW schadevergoeding van zijn werkgever.

De kantonrechter overwoog dat de werkgever niet tekort is geschoten in het voor het verrichten van de arbeid treffen van zodanige maatregelen en het geven van zodanige aanwijzingen als redelijkerwijs noodzakelijk was. In hoger beroep stond met name de geschiktheid van het gebruikte trapje ter discussie. In een tussenarrest overwoog het hof dat vooralsnog kon worden aangenomen dat het trapje voldeed aan de aan een dergelijke trap te stellen veiligheidseisen, nu was komen vast te staan dat de werkgever een VCA-gecertificeerd bedrijf was. De werknemer werd toegelaten tot het leveren van tegenbewijs ter onderbouwing van zijn stelling dat het trapje niet voldeed aan de daarvoor te stellen professionele eisen, zoals die gehanteerd werden door een VCA-certificering.

Op grond van de verschillende getuigenverklaringen achtte het hof dit tegenbewijs niet geleverd. Het hof oordeelde dat de litigieuze werkzaamheden met behulp van het trapje in beginsel veilig en in overeenstemming met de geldende arbo-voorschriften konden worden verricht. Het hof achtte overtuigend aangetoond dat de werkgever voor een voldoende veilige werkomgeving heeft gezorgd en haar zorgplicht als werkgever niet heeft geschonden.

In cassatie verwerpt de Hoge Raad het beroep van de werknemer met toepassing van artikel 81 RO.

In perspectief

Het ging in deze zaak om de bewijslastverdeling ten aanzien van de vraag of de werkgever had voldaan aan zijn zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW. Eerder oordeelde de Hoge Raad daaromtrent in zijn arrest van 25 mei 2007 al eens als volgt (HR 25 mei 2007, NJ 2008, 463):

"Op grond van artikel 7:658 BW lid 2 kan, indien vaststaat dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, de werkgever zich van aansprakelijkheid daarvoor bevrijden door te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de in lid 1 van dat artikel genoemde verplichtingen is nagekomen. Indien de werkgever ter onderbouwing van dit verweer voldoende concrete feitelijke gegevens aanvoert, zal van de werknemer mogen worden verlangd dat hij zijn betwisting van dat verweer voldoende concreet motiveert, zij het dat aan die motivering niet zodanig hoge eisen mogen worden gesteld dat in betekenende mate afbreuk wordt gedaan aan de strekking van artikel 7:658 lid 2 BW de werknemer door verlichting van zijn processuele positie bescherming te bieden tegen de risico's van schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Naar de hoofdregel van artikel 150 Rv behoeft de werknemer, als wederpartij van de werkgever die de bewijslast voor zijn verweer draagt, in beginsel niet de door hem ter betwisting van diens verweer gestelde feiten te bewijzen. Echter, de zo-even genoemde strekking van artikel 7:658 lid 2 BW verzet zich niet ertegen dat de rechter in het licht van de stellingen van de werkgever en de vaststaande feiten een nadere motivering van de werknemer van zijn betwisting van het verweer van de werkgever verlangt of dat de rechter in voorkomend geval uitgaat van de juistheid van dat verweer behoudens door de werknemer te leveren tegenbewijs."

Het hof is in lijn met deze bewijslastverdeling tot haar oordeel gekomen. Naar het oordeel van AG Spier ontbreekt verder de feitelijke grondslag voor de klachten, nu in feitelijke instanties met geen woord is gerept over de vraag of een VCA-certificering bruikbaar is ter beantwoording van de vraag of de werkgever aan zijn zorgplicht uit artikel 7:658 BW heeft voldaan.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Jørgen Simons

Tel: +31 20 5506 848
E-mail: jorgen.simons@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin