Bonus na zwangerschap?
Gerechtshof Arnhem 27 april 2010, LJN:
BM2034
Bonus en verboden onderscheid
Art. 7:646 BW bepaalt dat een werkgever in de arbeidsvoorwaarden
geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen. Onder
onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt zowel direct als
indirect onderscheid verstaan. Onder direct onderscheid wordt mede
verstaan onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap. Direct onderscheid op grond van geslacht kan niet
worden gerechtvaardigd, tenzij er sprake is van één van de
wettelijke uitzonderingen als vermeld in art. 7:646, tweede tot en
met vierde lid, BW. In sommige bonusplannen is bepaald dat een
werknemer geen volledige maar slechts een pro rata bonus ontvangt,
indien de werknemer niet het gehele jaar heeft gewerkt. Van een
dergelijke inactiviteit kan sprake zijn in geval van zwangerschaps-
en bevallingsverlof of zwangerschapsgerelateerde ziekte. De vraag
rijst of deze bepaling in een bonusregeling in zo'n geval een
verboden onderscheid oplevert. Op 27 april 2010 heeft het
Gerechtshof Arnhem zich over deze kwestie gebogen.
De
feiten uit het arrest
De feiten zijn als volgt. Een werkgever kent voor haar
werknemers een bonusplan. Een werkneemster maakt vanaf 1 april 2004
aanspraak op de daarin geregelde bonus. Het bonusplan bevat een
regeling van een prestatiebonus die bedoeld is als een variabele
aanvulling op het vaste inkomen. De prestatiebonus is gebaseerd op
drie componenten: (1) de nettowinst doelstelling, (2) de
omzetdoelstelling en (3) de individuele doelstelling van de
betreffende werknemer, waarbij de relatieve zwaarte van deze drie
componenten jaarlijks door de werkgever wordt bepaald. Het
bonusplan wordt telkens voor één kalenderjaar vastgesteld, waarbij
uitdrukkelijk bepaald is dat daaraan geen rechten kunnen worden
ontleend voor de toekomst. Verder is bepaald dat als een werknemer
in één jaar langdurig inactief (d.w.z. langer dan een maand) is
geweest als gevolg van ziekte of anderszins, de bonus naar rato
wordt uitgekeerd. De betreffende werkneemster is in 2004, 2006 en
2007 afwezig geweest wegens zwangerschapsgerelateerde ziekte en
wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof. Over deze perioden
betaalt de werkgever geen bonus uit en de werkneemster vordert
alsnog uitbetaling van de bonus, omdat de niet-betaling van de
bonus in haar ogen een verboden onderscheid op grond van geslacht
oplevert.
Het Gerechtshof
In deze zaak oordeelde de Commissie Gelijke Behandeling en de
Kantonrechter Utrecht eerder dat sprake is van een verboden
onderscheid op grond van geslacht. Het Hof komt echter tot het
oordeel dat verboden onderscheid niet aan de orde is. Ten eerste
gaat het Hof in op de periode van het zwangerschaps- en
bevallingsverlof. Het Hof oordeelt dat, ondanks dat de bonus wordt
vastgesteld over een periode van een jaar, geen sprake is van "naar
tijdsruimte vastgesteld loon" omdat de hoogte van de bonus niet
wordt bepaald op grond van tijd maar op basis van een weging van de
drie componenten. Er is sprake van "op andere wijze vastgesteld
loon". Dat brengt met zich dat een werknemer het gemiddelde loon
moet ontvangen dat zij had kunnen verdienen gedurende de tijd dat
zij niet verhinderd was geweest (art. 7:628 lid 3 BW). De bonus kan
als loon in de zin van art. 7:628 lid 3 BW worden aangemerkt, aldus
het Hof. Omdat de werkgever tijdens de periode van zwangerschaps-
en bevallingsverlof niet verplicht is tot loonbetaling, hoefde hij
tijdens deze periode ook geen bonus aan de werkneemster te betalen.
Ten tweede gaat het Hof in op de zwangerschapsgerelateerde ziekte.
Het Hof oordeelt dat de werkneemster die afwezig is wegens een
zwangerschapsgerelateerde ziekte op haar loon mag worden gekort, zo
lang zij gelijk wordt behandeld als een mannelijke werknemer die
afwezig is wegens ziekte. Nu de oorzaak van de ziekte geen rol
speelt bij het bonusplan in kwestie, was derhalve van ongelijke
behandeling geen sprake.
Tips:
- Het arrest van het Hof toont nog eens aan dat de uitspraken
van de Commissie Gelijke Behandeling over verboden onderscheid
op grond van geslacht voor de rechter niet bindend zijn.
- Er is op grond van de wet geen absolute bescherming tegen
de inkomensachteruitgang van een werkneemster als gevolg van
haar zwangerschap en bevalling. Indien de werkgever een
inkomensachteruitgang van de werkneemster wenst te voorkomen,
dan kan hij dit wel contractueel toezeggen.
- In de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft
de werkneemster geen recht op loon, maar op een uitkering op
grond van de Wet Arbeid en Zorg die gekoppeld is aan het
maximum dagloon. Gelet daarop is het de werkgever onder
omstandigheden toegestaan om de werkneemster over deze periode
op haar bonus te korten.
- Tijdens de zwangerschapsgerelateerde ziekte heeft de
werkneemster wel recht op loon. Indien de werkgever over deze
periode echter geen bonus aan de werkneemster wenst uit te
betalen, dan verdient het aanbeveling om in het bonusplan een
neutrale grond op te nemen wanneer geen bonus wordt uitgekeerd,
omdat daaruit blijkt dat een zwangere werkneemster gelijk wordt
behandeld als haar mannelijke collega die afwezig is. Uiteraard
blijft ook de feitelijke uitvoering van het bonusplan
relevant.