Zoeken

Nieuwsbrief

Beroepsaansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon

HR 1 december 2006, LJN: AY 9225, C05/292HR

Essentie

Assurantietussenpersoon is door weduwe aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van verkeerde voorlichting door een werknemer van de tussenpersoon. Deze werknemer deelde de weduwe - op basis van hem telefonisch door de verzekeraar verstrekte informatie - mee dat zij begunstigde was onder de door haar echtgenoot afgesloten levensverzekering. Na overlijden van de echtgenoot bleek niet de weduwe maar de zus van de overledene begunstigde te zijn. Assurantietussenpersoon is hiervoor niet aansprakelijk.

Feiten

X was getrouwd met Y. Y overleed op 5 maart 2002. X is enig erfgename van Y. Y had een drietal verzekeringen afgesloten waaronder een levensverzekering. Z (in dienst bij een assurantietussenpersoon) heeft X en Y op 25 januari 2002 bezocht. Y had onder meer de wens dat X begunstigde zou worden onder de levensverzekering. Omdat de verzekeringspapieren op dat moment, in verband met een verhuizing, niet voorhanden waren, kreeg X de opdracht deze te zoeken. Tijdens het vervolggesprek met Z op 4 februari 2002 bleken de verzekeringspapieren wederom niet beschikbaar. Z vernam vervolgens tijdens een telefoongesprek met de betrokken verzekeraar dat X de begunstigde was. Op basis van deze mededeling werd besloten dat, aangezien X reeds begunstigde was, de wijziging van begunstiging niet nodig was. Na het overlijden van Y is op grond van de levensverzekering een geldbedrag aan de schoonzuster van X uitgekeerd. Deze schoonzuster weigerde het geldbedrag aan X af te staan.

Rechtbank

De rechtbank oordeelde dat de door Z gegeven verkeerde voorlichting jegens Y een onrechtmatige daad oplevert die aan de assurantietussenpersoon kan worden toegerekend. De rechtbank wees de vordering derhalve toe.

Gerechtshof

Het hof wees de vordering van X af. Het hof overwoog dat het oordeel van de rechtbank, dat de aan X gedane mededeling als een tekortkoming van Z moet worden aangemerkt omdat een verzekerde erop moet kunnen vertrouwen dat de door een assurantietussenpersoon verstrekte informatie over zijn polissen correct is, onjuist is. Het hof achtte de volgende feiten daarbij van belang:

  • De polissen waren onvindbaar. Dit komt voor rekening van X.
  • X en Y hadden op basis van het telefoongesprek van Z met de verzekeraar besloten dat wijziging van de begunstiging niet nodig was.
  • X had nadere feiten of omstandigheden moeten stellen op grond waarvan zij meende dat de assurantietussenpersoon een verwijt kon worden gemaakt van haar handelen, nu een redelijk bekwaam optredend assurantietussenpersoon mag afgaan op de bij gebreke van informatie van de kant van X door hem van de verzekeraar gevraagde en verkregen informatie. Aan die stelplicht had X niet voldaan.
Hoge Raad

X voert in cassatie één middel aan dat uit vier onderdelen bestaat. De Hoge Raad overweegt dat de onderdelen 1, 2 en 4 alsmede ten dele onderdeel 3, tot uitgangspunt nemen dat X aan haar vordering mede ten grondslag heeft gelegd dat Y de assurantietussenpersoon de opdracht had gegeven ervoor zorg te dragen dat X in de polis van de levensverzekering als begunstigde zou worden aangewezen. Van belang is dat het hof dit uitgangspunt heeft beperkt tot de stellingen van X betreffende de onjuistheid van de mededeling die Z na en naar aanleiding van het telefoongesprek met de verzekeraar over de persoon van de begunstigde onder de levensverzekering heeft gedaan. De Hoge Raad volgt het hof hierin. X heeft in feitelijke aanleg namelijk niet aangevoerd dat aan Z na het telefoongesprek is verzocht of opgedragen de begunstiging in kwestie te wijzigen en dus heeft het hof kunnen oordelen dat X aan haar vordering niet meer ten grondslag legde dan dat Z ten onrechte had meegedeeld dat X de begunstigde was, aldus de Hoge Raad.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat onderdeel 3 faalt. Ten onrechte meent X dat de gevolgen van de onjuistheid van de door de verzekeraar telefonisch verstrekte informatie in de verhouding tussenpersoon-cliënt voor rekening van de tussenpersoon dienen te blijven in het geval de assurantietussenpersoon de cliënt heeft geadviseerd op basis van informatie die hij telefonisch van de verzekeraar heeft verkregen, zonder nadere informatie te hebben ingewonnen bij de verzekeraar, en in het bijzonder zonder zelf kennis te hebben genomen van de inhoud van de polis in kwestie. Een dergelijke regel vindt geen steun in het recht, aldus de Hoge Raad. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Urcy Miranda

Tel: +31 20 5506 667
E-mail: urcy.miranda@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin