Zoeken

Nieuwsbrief

Drie versus twee strepen

Een bespreking van het arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2007 (Adidas/Marca)

Eind jaren negentig is Adidas op basis van haar drie strepenmerk een procedure begonnen, waarin zij de rechtbank verzocht Marca c.s. het gebruik van een twee strepenmotief op sportkleding te verbieden. De rechtbank oordeelde dat het twee strepenmotief inbreuk maakte op het merkrecht van Adidas. Het Gerechtshof wees de vorderingen van Adidas in hoger beroep echter alsnog af. Adidas ging vervolgens in cassatie bij de Hoge Raad, die op 16 februari jl. (tussen)arrest heeft gewezen. De belangrijkste punten uit dit arrest zullen hieronder worden besproken.

Beoordelingsmoment merkinbreuk
De vordering van Adidas had betrekking op vermeende merkinbreuk door Marca in 1996. Het Hof was daarom van mening dat de vordering moest worden beoordeeld naar de omstandigheden en de marktsituatie in 1996 ('ex tunc'). De Hoge Raad heeft echter overwogen dat bij gebreke van aanwijzingen die tot een beperkte toetsing aanleiding moeten geven, de rechter in beginsel alle hem ter kennis gebrachte omstandigheden in zijn beoordeling zal dienen te betrekken. Dit geldt vooral als de vordering een bevel of verbod van meer algemene strekking behelst, zoals het onderhavige verbod ter zake (toekomstige) merkinbreuk, dat beoogd wordt voort te duren na de uitspraak van de rechter. In dit kader wijst de Hoge Raad verder op de regel dat een hoger beroep strekt tot nieuwe behandeling en beslissing van de zaak, waarbij de appelrechter heeft te oordelen naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing. Volgens de Hoge Raad heeft het Hof de vordering van Adidas dan ook ten onrechte slechts naar de situatie in 1996 beoordeeld.

Freihaltebedürfnis en ingeburgerde merken
Het Hof oordeelde dat, ondanks dat het drie strepenmerk van Adidas van huis uit geen sterk merk was, het beeldmerk door middel van inburgering toch grote onderscheidende kracht had verkregen. Wat betreft het drie strepenmotief was de beschermingsomvang van het merk dan ook groot. Deze beschermingsomvang strekte zich volgens het Hof echter niet uit tot andere streepmotieven, omdat strepen(motieven) algemeen gangbaar zijn en daarom vrij moeten zijn voor gebruik door derden.

Adidas is van mening dat het belang van vrijhouding van bepaalde tekens alleen een rol zou moeten spelen in het onderzoek of een teken voor merkinschrijving in aanmerking komt. Wanneer geen van de weigeringsgronden voor merkinschrijving (o.a. geen onderscheidend vermogen en beschrijvende tekens) van toepassing is, dan mag het belang van beschikbaarheid volgens Adidas niet (opnieuw) in het kader van de beschermingsomvang van het (ingeschreven) merk aan de orde komen.

De Hoge Raad leest in het oordeel van het Hof dat het van mening is dat het algemene belang vereist dat bepaalde tekens vrij zijn voor gebruik door iedereen (de zogenaamde Freihaltebedürfnis), dat het gebruik van deze tekens niet kan worden verboden op grond van een merkrecht, en dat dit ook geldt in de situatie dat het betreffende merk zelf van oorsprong een dergelijk teken is dat door inburgering onderscheidend vermogen heeft verkregen. De Hoge Raad verwijst vervolgens naar de arresten Chiemsee en Libertel van het Europese Hof van Jusitie ("HvJ EG"), waarin de Freihaltebedürfnis werd geïntroduceerd (Chiemsee), respectievelijk werd geoordeeld dat bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen van kleurmerken rekening diende te worden gehouden met het algemeen belang van beschikbaarheid van kleuren voor andere marktdeelnemers (Libertel). Volgens de Hoge Raad verschaffen deze arresten geen duidelijkheid over de vraag of het oordeel van het Hof juist is. Daarom stelt de Hoge Raad de volgende prejudiciële vragen aan het HvJ EG met betrekking tot de uitleg van de Europese merkenrichtlijn.

  1. Dient bij de bepaling van de beschermingsomvang van een merk dat wordt gevormd door een teken dat van huis uit geen onderscheidend vermogen heeft of valt onder artikel 3 (1) c merkenrichtlijn (beschrijvende tekens), maar als merk is ingeburgerd en ingeschreven, rekening te worden gehouden met de Freihaltebedürfnis?; en zo ja:
  2. maakt het daarbij verschil of het relevante publiek de beschikbaar te houden tekens beschouwt als tekens ter onderscheiding van waren, dan wel slechts als versiering van de waren?; en:
  3. maakt het daarbij verschil of het door de merkhouder aangevallen teken een teken is dat elk onderscheidend vermogen mist ex artikel 3 (1) b, of valt onder de categorie tekens als opgesomd in artikel 3 (1) c merkenrichtlijn (beschrijvende tekens).

Samenvattend
Tenzij er aanwijzingen zijn die nopen tot een andere toetsing, dient de rechter bij een beoordeling van een vordering in beginsel alle, ook de actuele, omstandigheden te betrekken. Dit geldt vooral bij vorderingen die een algemene strekking hebben, zoals bij merkzaken en bij andere intellectuele eigendomszaken vaak het geval is. Het is nu aan het HvJ EG om de vraag te beantwoorden of bij de bepaling van de beschermingsomvang van een ingeburgerd en ingeschreven merk rekening dient te worden gehouden met de Freihaltebedürfnis.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Rogier Overbeek

Tel: +31 (0)20 5506 640
E-mail: rogier.overbeek@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin