Zoeken

Nieuwsbrief

Onduidelijk ziektebeeld

HR 17 november 2006, LJN: AZ 0757, C05/254 HR

Essentie

X vraagt polisdekking onder haar arbeidsongeschiktheidsverzekering. Tussen verzekeraar en X bestaat een geschil over de uitleg van het begrip 'arbeidsongeschiktheid' in de polisvoorwaarden. Wanneer geen objectieve medische oorzaak voor de klachten kan worden vastgesteld, moet in elk geval sprake zijn van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. De vordering van X wordt afgewezen wegens het ontbreken hiervan.

Feiten

X sloot met ingang van 13 oktober 1993 een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij verzekeraar (V). X was bij het sluiten van de overeenkomst werkzaam in haar eigen bedrijf, een delicatessenzaak. In augustus 1994 werd X ziek. In eerste instantie viel zij uit in verband met een nierbekkenontsteking, aansluitend hield X last van lage rugklachten en vermoeidheid.

In het eerste ziektejaar (half augustus 1994 tot 16 augustus 1995) verstrekte V aan X op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering een uitkering. X werd vanaf augustus 1995 voor 35-45% arbeidsongeschikt verklaard door de bedrijfsvereniging. Aan X werd een bij deze mate van arbeidsongeschiktheid behorende AAW/WAZ-uitkering toegekend. Na afloop van het eerste ziektejaar staakte V de uitkering. X dagvaardde V op 26 september 2001 voor de rechtbank.

Rechtbank

X vorderde veroordeling van V om haar polisdekking te geven voor een arbeidsongeschiktheidspercentage van tenminste 35-45%, dan wel verzocht de rechtbank in goede justitie een beslissing te nemen. X meende aanspraak te hebben op een uitkering uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor het zogenaamde 'na-eerstejaarsrisico' (rubriek B). X stelde zich hierbij op het standpunt dat zij nog steeds ziek was in de zin van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst. V bestreed de vordering van X.

In de geldende polisvoorwaarden was een omschrijving van de dekking van de risico's van arbeidsongeschiktheid voor het na-eerstejaarsrisico opgenomen. Voor een aanspraak moet een verzekeringnemer arbeidsongeschikt zijn in de zin van de polis. Dit was het geval wanneer de verzekerde rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van een ongeval en/of ziekte voor tenminste 25% ongeschikt was tot het verrichten van werkzaamheden.

V erkende dat X klachten had, maar stelde dat de oorzaak hiervan niet medisch te duiden was. Onder meer betwistte V dat sprake was van fibromyalgie (chronisch pijnsyndroom), nu dit niet objectief was vastgesteld. Er was slechts een vermoeden dat X hieraan leed. Daarnaast beriep V zich op eigen schuld vanwege onvoldoende medewerking door X aan mogelijke behandelingen.

In een tussenvonnis gaf de rechtbank een eindoordeel door te oordelen dat een redelijke uitleg van de polis met zich brengt dat, ook wanneer er geen objectief medische diagnose of een eenduidige medische oorzaak voor klachten is vast te stellen, maar wel sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld, sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank oordeelde vervolgens dat, hoewel de klachten van X niet konden worden vastgesteld als medisch te objectiveren afwijkingen of symptomen, zij wel een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld vormden. De rechtbank oordeelde dan ook dat sprake was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden en wees het beroep op eigen schuld af. V kwam - daartoe uitdrukkelijk toegelaten - van dit tussenvonnis in hoger beroep.

Gerechtshof

V richtte zich in het hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld en daarmee van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polisvoorwaarden. Tegen het uitgangspunt van de rechtbank dat sprake kan zijn van arbeidsongeschiktheid wanneer geen objectief medische diagnose of eenduidige medische oorzaak voor de klachten is vast te stellen, kwam V niet op.

Het hof was van mening dat hetgeen X naar voren had gebracht en aan producties had overgelegd, niet de conclusie rechtvaardigde dat gesproken kon worden van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld. Er werden wel een aantal klachten vermeld, maar de rapportages vermeldden verschillende ziekten die niet met elkaar op één lijn konden worden gesteld, te weten een chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS) en fibromyalgie. Het hof vernietigde dan ook het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van X alsnog af.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden en doet de zaak kortweg af op artikel 81 RO.

In de conclusie van Advocaat-Generaal Timmerman wordt nog vermeld dat de maatstaf die het hof hanteert of sprake is van een herkenbaar en benoembaar ziektebeeld in overeenstemming is met het arrest van de Hoge Raad van 16 april 1999, NJ 1999, 666. A-G Timmerman benadrukt verder dat de feitenrechter een grote mate van vrijheid heeft ten aanzien van de waardering van het bewijs en dat dit ook geldt wanneer het bewijs geleverd wordt door deskundigen.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Femke Leopold

Tel: +31 20 5506 634
E-mail: femke.leopold@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin