Dekking en doel van aansprakelijkheidsverzekering voor gemeenten
HR 12 januari 2007, C05/289HR, LJN:
AZ1581
Essentie
Een gemeente (tevens verhuurder) gaat al over tot sloop van
panden, terwijl de huurder hoger beroep had ingesteld tegen de
ontruiming van de panden. De gemeente moest het vermoeden
weerleggen dat bij de beslissing tot sloop had meegespeeld dat zij
tegen aansprakelijkheid verzekerd was.
Feiten
Gemeente X was op 1 juli 1986 eigenaresse geworden van een
aantal woningen, die zij had verworven met het doel deze te slopen.
Op het moment van verwerving waren de woningen door X aan de
stichting Y verhuurd voor een periode van tien jaar, ingaande 1
maart 1984.
Y bleek niet bereid tot ontruiming en X vorderde bij de
kantonrechter ontruiming van de woningen. De kantonrechter heeft
die ontruiming, uitvoerbaar bij voorraad, bevolen bij vonnis van 18
augustus 1988. Y is van dit vonnis in beroep gegaan op 19 augustus
1988. X heeft desondanks het vonnis van de kantonrechter ten
uitvoer gelegd en de woningen gesloopt. Daarop heeft de rechtbank
Den Bosch op 21 december 1990 het vonnis van de kantonrechter
vernietigd en de vordering van X tot ontruiming afgewezen. Y heeft
vervolgens X aansprakelijk gesteld.
X heeft daarop haar aansprakelijkheidsverzekeraar V op de hoogte
gebracht van de claim van Y. X heeft haar aansprakelijkheid
betwist; V heeft dekking betwist.
Rechtbank
Y dagvaardde en vorderde een bedrag van € 426.279,79 voor
geleden schade als gevolg van de voortijdige sloop van de woningen.
X heeft daarop op 21 november 1994 haar
aansprakelijkheidsverzekeraar V in vrijwaring gedagvaard. X heeft
vervolgens het geschil met Y geschikt. X heeft aan haar vordering
op V ten grondslag gelegd dat zij recht op dekking heeft op grond
van de tussen haar en V van kracht zijnde verzekering tegen het
risico van aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad. V heeft
deze dekking betwist en beriep zich ondermeer op de opzetclausule.
Daarnaast voerde V als grond voor afwijzing van dekking aan dat het
beroep van X op dekking als in strijd met de redelijkheid en
billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 BW moet worden geoordeeld,
aangezien sprake is van misbruik van verzekering. V voerde daartoe
aan dat X zich eerst een onontkoombare vrijwillige
schadeloosstelling heeft bespaard - omdat zij de huur niet voor 1
maart 1994 kon opzeggen, kon zij Y alleen tot ontruiming bewegen
door een schadeloosstelling te betalen - om vervolgens de gedwongen
schadeloosstelling - X zal schadevergoeding moeten betalen omdat
zij niet het recht had de huurovereenkomst voortijdig te beëindigen
- aan V te presenteren.
De rechtbank wees bij tussenvonnis het beroep op de
opzetclausule af. Ten aanzien van het beroep van V op artikel 6:248
lid 2 BW heeft de rechtbank X in de gelegenheid gesteld hierop te
reageren. X heeft vervolgens toegelicht dat de reden waarom zij het
vonnis van de kantonrechter onmiddellijk heeft geëxecuteerd was
gelegen in de verstrekking van een financiële bijdrage door het
Ministerie van Volkshuisvesting. Bij eindvonnis van 26 maart 2003
wees de rechtbank de vordering van X vervolgens af, omdat een
beroep op dekking in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Volgens de
rechtbank is het gegeven dat X er rekening mee had moeten houden
dat bij een hoger beroep door Y vernietiging van het vonnis van de
kantonrechter zou kunnen volgen en dat het voor X voorzienbaar was
dat een (achteraf) onrechtmatige executie tot schadeplichtigheid
zou leiden jegens Y doorslaggevend.
Gerechtshof
In hoger beroep overwoog het hof in het kader van het beroep van
V op artikel 6:248 lid 2 BW dat de gestelde onaanvaardbaarheid
zelfstandig moet worden beoordeeld. Het hof wees erop dat anders
dan bij het beroep op de opzetclausule in dit geval bij het beroep
op de onaanvaardbaarheid naar eisen van redelijkheid en billijkheid
tevens een beroep op een onjuiste belangenafweging is gedaan.
Volgens het hof mag bij een overheidslichaam als de gemeente X bij
een besluit door één van haar organen tot executie van een
niet-definitief en wel aan hoger beroep onderworpen vonnis het
besef van risico van aansprakelijkheid in geval van na de executie
gevolgde vernietiging van dat vonnis worden verondersteld. Als bij
de afweging van dat risico en bij het besluit tot executie, het
bestaan van een aansprakelijkheidsverzekering een zeker gewicht
heeft uitgeoefend, dan is niet uitgesloten dat een beroep op die
verzekering inderdaad naar redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar is. Het hof oordeelde dat het - uitgaande van het
bestaan van de verzekering en het feit dat de gemeente daarvan op
de hoogte was - redelijk was dat de bewijslast van het
niet-uitoefenen van gewicht door het bestaan van een WA-verzekering
op de besluitvorming op de gemeente rust.
Hoge
Raad
X heeft tegen het tussenarrest cassatie ingesteld. De Hoge Raad
oordeelt dat de klacht over de opzetclausule niet kan slagen,
aangezien het hof heeft overwogen dat V ook een beroep heeft gedaan
op de onjuiste belangenafweging bij X, welk beroep van V is
gebaseerd op niet geheel dezelfde feiten als die aan het beroep op
de opzetclausule ten grondslag zijn gelegd door V.
Verder klaagt X dat V haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW
onvoldoende heeft onderbouwd en dat het hof heeft miskend dat voor
een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en
billijkheid slechts plaats kan zijn indien er sprake is van
misbruik van de verzekering, waarvan in dit geval geen sprake is.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft vastgesteld dat X zich bij
haar besluit tot onmiddellijke sloop heeft laten leiden door haar
wens optimaal financieel voordeel te trekken uit haar handelwijze,
terwijl zij de eventuele nadelen daarvan zou kunnen afwentelen op V
en zich op die wijze een onontkoombare vrijwillige
schadeloosstelling zou besparen. Volgens de Hoge Raad volgt hieruit
dat het hof van oordeel was dat onder die omstandigheden van
onaanvaardbaarheid in de zin van 6:248 lid 2 BW sprake kan zijn als
bij de besluitvorming door X het bestaan van de
aansprakelijkheidsverzekering een factor van gewicht is geweest.
Dat laatste zou het geval kunnen zijn als X, zich bewust van het
bestaan van de verzekering, uit de mogelijke alternatieven die weg
kiest, die de grootst mogelijke kans op schade voor V schept en
tegelijkertijd voor X zelf het meest voordelig is. Volgens de Hoge
Raad ligt aan dit oordeel van het hof ten grondslag de gedachte dat
met een aansprakelijkheidsverzekering niet wordt beoogd dekking te
bieden tegen het risico dat de verzekerde aansprakelijk wordt als
gevolg van een gedraging die het resultaat is van een juist door
het bestaan van die verzekering verstoorde afweging van belangen.
Dit geeft volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste
rechtsopvatting is ook niet onbegrijpelijk.
De Hoge Raad verwerpt derhalve het beroep en laat het arrest van
het hof in stand.