Zoeken

Nieuwsbrief

Heeft de brief van X de verjaring gestuit?

HR 24 november 2006, LJN: AZ0418, C05/159 HR

Essentie

X heeft WAM-verzekeraar V aangesproken tot vergoeding van zijn schade. X heeft V daartoe schriftelijk verzocht het nodige te doen om tot regeling van de schade over te kunnen gaan. De Hoge Raad oordeelt dat dit een stuitingshandeling betreft in de zin van artikel 3:317 BW.

Feiten

Op 6 augustus 1995 liep X schade op als gevolg van een verkeersongeval. Zij verzocht V, de WAM-verzekeraar van de aansprakelijke partij, bij brief van 5 juni 1997 haar schade te vergoeden. Hierop liet V aan X weten dat zij haar schadevordering niet in behandeling nam. Bij brief van 15 december 1997 deelde X het volgende aan V mee: "Naar mijn mening valt aan de aansprakelijkheid van de bestuurder van de bij U verzekerde motorfiets niet te tornen en staat ook vast, dat de klachten van mijn cliƫnte afkomstig zijn van het ongeval. Ik verzoek U vriendelijk thans met enige spoed het nodige te doen om tot regeling van deze schade over te kunnen gaan. U zou bijvoorbeeld een schaderegelaar kunnen in schakelen."

Rechtbank

X dagvaardde V op 3 oktober 2000 en vorderde V te veroordelen tot betaling van haar schade. V beriep zich op verjaring van de vordering van X, stellende dat ex artikel 10 lid 1 WAM de rechtsvordering door verloop van drie jaar was verjaard. De rechtbank verwierp het betoog van X dat zij door haar brieven de verjaring had gestuit en wees de vordering van X af.

Gerechtshof

In hoger beroep bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank. Het hof overwoog daartoe dat de brief van X van 15 december 1997 niet voldoet aan de in artikel 3:317 lid 1 BW gestelde eisen.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat ingevolge artikel 3:317 BW de verjaring wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Dit komt in feite neer op een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij ermee rekening moet houden dat hij zich mogelijkerwijs alsnog tegen een ingestelde vordering zal moeten verweren. De brief van 15 december 1997 laat, in het licht van de eerdere correspondentie, volgens de Hoge Raad geen andere uitleg toe dan dat eiser zich ondubbelzinnig haar recht op nakoming voorbehield als bedoeld in artikel 3:317 BW. De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Anne de Groot

Tel: +31 20 5506 898
E-mail: anne.de.groot@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin