Volgplicht voor niet-aangesproken verzekeraar bij samenloop van verzekeringen
HR 17 november 2006, LJN: AY 9717,
C05/199HR
Essentie
Ziektekostenverzekeraar Z vordert vergoeding van de helft van
aan verzekerden uitgekeerde in het buitenland gemaakte
ziektekosten, die eveneens waren gedekt onder een reisverzekering
van V. Beide verzekeraars hanteren een 'harde
na-u-clausule' en moeten de vergoedingen voor gelijke delen
dragen. V kan niet aan Z tegenwerpen dat de schade niet in
overeenstemming met de polisvoorwaarden is gemeld. Voor de niet
aangesproken verzekeraar bestaat een volgplicht. De aangesproken
verzekeraar moet zich hierbij als een redelijk handelend
verzekeraar gedragen. Dit kan betekenen dat zij de
niet-aangesproken verzekeraar op de hoogte houdt van het verloop
van de schaderegeling.
Feiten
Verzekeraar (V) sluit reisverzekeringen af die onder bepaalde
voorwaarden dekking geven tegen in het buitenland ontstane
ziektekosten en repatriëringskosten. Een aantal verzekerden van
ziektekostenverzekeraar Z hebben reisverzekeringsovereenkomsten
gesloten met V. Deze verzekerden hebben in de periode 1996 tot en
met 2000 ziektekosten in het buitenland gemaakt, die Z volledig aan
hen heeft vergoed op grond van de aanvullende dekking.
De verzekeringsvoorwaarden voor de "Aanvullende
Verzekering" van Z zijn vastgesteld met ingang van 1 januari
1997. De polisvoorwaarden van 1997 bevatten een hoofdstuk ten
aanzien van beperkingen van het recht op verstrekking en/of
uitkering. Tevens bevatten de polisvoorwaarden een hoofdstuk ten
aanzien van het onderwerp dubbele dekking. Artikel 9 - dat is
opgenomen in eerstgenoemd hoofdstuk - bevat een zogenaamde
'zachte na-u-clausule.' Deze clausule bepaalt dat een
verzekerde geen recht heeft op een verstrekking en/of vergoeding
indien en voor zover hij jegens een derde recht heeft op
geneeskundige behandeling en/of vergoeding van de kosten daarvan.
In het hoofdstuk ten aanzien van de dubbele dekking bevat artikel
15 een 'harde na-u-clausule'. Hiermee wordt bedoeld dat aan
de verzekering geen recht op verstrekkingen of vergoeding van
kosten kan worden ontleend, indien en voor zover de schade is
gedekt door enige andere verzekering of op grond van enige wet of
andere voorziening, of gedekt zou zijn, indien deze verzekering
niet zou hebben bestaan. Het artikel bevat een zogenaamde
'wegdenktournure'. In de polisvoorwaarden die V in de
betreffende periode heeft gehanteerd, is eveneens een artikel
opgenomen dat ziet op de dubbele verzekering. In artikel 10 is een
'harde na-u-clausule' opgenomen.
Het gaat in dit geding om de vraag of Z tegenover V aanspraak
kan maken op vergoeding van de helft van de door haar aan haar
verzekerden uitgekeerde ziektekosten, voor zover die kosten
eveneens waren gedekt onder een reisverzekering van
V.
Rechtbank
Z vorderde een verklaring voor recht dat V aan Z 50% van de
bedragen diende te betalen die Z op grond van de
verzekeringsovereenkomsten met betrekking tot de hulpverlening in
het buitenland en de repatriëring had vergoed aan verzekerden die
op het moment van die hulpverlening en/of repatriëring bij V een
reisverzekeringsovereenkomst hadden lopen, voor zover de gemaakte
kosten vielen onder die reisverzekering. Aan de vordering legde Z
ten grondslag dat V op grond van de geldende
reisverzekeringsovereenkomsten met betrokken verzekerden net als Z
gehouden was tot vergoeding van de ziektekosten, nu beide
maatschappijen een zogenaamde harde 'na-u-clausule' van
gelijke strekking hanteerden. V bestreed de vordering van Z en
voerde aan dat de polisvoorwaarden van Z innerlijk tegenstrijdig
waren, omdat zij zowel een zachte (artikel 9) als een harde
(artikel 15) 'na-u-clausule' bevatten. V stelde dat een
verzekeraar zich in een dergelijk geval tegenover zijn verzekerde
slechts op de voor deze minste bezwarende bepaling mag beroepen. De
verzekering bood daarom volgens V dekking op basis van een zachte
'na-u-clausule', zodat V niet behoefde bij te dragen in de
vergoede kosten. De rechtbank ging hier niet in mee en wees de
vordering van Z toe.
Gerechtshof
Het hof overwoog allereerst dat tussen partijen vaststond dat
indien in de polisvoorwaarden van beide verzekeringen harde
'na-u-clausules' worden gehanteerd, beide verzekeraars de
door een van hen verrichte uitkeringen voor gelijke delen dienen te
dragen.
Het hof verwierp het verweer van V dat artikel 9 van de
polisvoorwaarden een zachte 'na-u-clausule' behelst en dat
Z zich daarom niet op artikel 15 kan beroepen, omdat sprake zou
zijn van innerlijke tegenstrijdigheid van de polisvoorwaarden.
Volgens het hof doelt artikel 9 kennelijk op rechten die een
verzekerde jegens een derde, niet zijnde een verzekeraar die
ziektekosten heeft gedekt, geldend kan maken wegens een
onrechtmatige daad. Het geval van dubbele dekking onder meer
polissen is daarentegen uitdrukkelijk geregeld in artikel 15. Het
hof overwoog dat niet viel in te zien waarom Z zich niet op de
bepaling van artikel 15 zou kunnen beroepen.
Het hof overwoog dat de gevorderde verklaring voor recht - zoals
V had aangevoerd - nog geen uitsluitsel geeft in alle door Z aan V
voorgelegde individuele gevallen. Het hof overwoog echter dat dit
niet wegneemt dat Z wel degelijk een belang heeft bij de verklaring
voor recht, om de grondslag voor haar aanspraken jegens V te doen
vaststellen. Het hof heeft hieraan toegevoegd dat onderzoek naar de
vraag of een verzekerde tijdig en in overeenstemming met de
polisvoorwaarden een schade heeft gemeld, niet in aanmerking komt.
Wanneer een verzekerde er in geval van samenloop voor heeft gekozen
zijn schade te melden bij één verzekeraar en deze geen gronden had
die aanspraak af te wijzen, heeft die verzekerde geen belang meer
om ook zijn andere verzekeraar aan te spreken. Het hof overwoog
aldus dat V zich tegenover Z niet erop kan beroepen dat de schade
niet tijdig of niet in overeenstemming met de polisvoorwaarden is
gemeld.
Het hof deelde het oordeel van de rechtbank dat zich in dit
geval een samenloop van verzekeringen voordoet en bekrachtigde het
vonnis van de rechtbank.
Hoge Raad
Door V is allereerst aangevoerd dat het hof onvoldoende heeft
gemotiveerd waarom geen sprake is van innerlijke tegenstrijdigheid
in de polisvoorwaarden van Z. De Hoge Raad overweegt dat het
oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is.
In cassatie wordt verder geklaagd over het oordeel van het hof
dat V zich er tegenover Z niet op kan beroepen dat de betrokken
verzekerde een schade niet volgens de polisvoorwaarden heeft
gemeld, indien die verzekerde ervoor heeft gekozen de schade te
melden bij en te doen vergoeden door Z. V stelt dat het oordeel van
het hof niet strookt met artikel 6:145 BW (overgang van vordering)
en de gedachte die ten grondslag ligt aan de regeling van het
'civiele plafond', nu V zich jegens Z niet meer kan
beroepen op de meldingstermijn waar zij dat tegenover haar
verzekerde wel kan doen.
De Hoge Raad overweegt dat het niet valt te rijmen met het
nieuwe verzekeringsrecht (artikel 7:961 BW) en het oude recht, dat
een verzekeraar die in geval van samenloop de schade van een
verzekerde heeft vergoed en verhaal wil nemen op de verzekeraar van
de samenlopende verzekering, daarin wordt belemmerd door een
verweer zoals door V gesteld. De Hoge Raad overweegt dat het hof
terecht heeft gewezen op het feit dat de dubbele verzekering
meebrengt dat de verzekerde geen belang meer had bij melding van
het verzekerde voorval bij de andere verzekeraar, nu zij de schade
toch al vergoed kon krijgen. Naar het oordeel van de Hoge Raad
strookt het niet met de regresmogelijkheid dat in zo'n situatie
de aangesproken verzekeraar zich met succes op het ontbreken van
een melding door de verzekerde zou kunnen beroepen. De Hoge Raad
oordeelt dat het bepaalde in artikel 6:145 BW en de verspreide
wettelijke voorschriften over het 'civiele plafond' daaraan
niet afdoen. Wat het eerste betreft wijst de Hoge Raad erop dat
artikel 7:961 BW geen subrogatie betreft, maar regres. Verder
overweegt de Hoge Raad dat artikel 7:961 BW voor het regres een
eigen regeling geeft die in zoverre afwijkt van regelingen omtrent
het 'civiele plafond'. Het stelsel van de wet brengt
volgens de Hoge Raad mee dat een niet aangesproken verzekeraar de
beslissing van de wel aangesproken verzekeraar omtrent hoogte en
modaliteiten van de uitkering dient te volgen, zolang die
schaderegeling toetsing aan de norm van een redelijk handelend
verzekeraar kan doorstaan ('volgplicht'). De Hoge Raad
verduidelijkt dat deze norm onder omstandigheden kan meebrengen dat
de andere verzekeraar op de hoogte wordt gehouden van het verloop
van de schaderegeling of zelfs aanspraak heeft op overleg omtrent
principiële beslissingen of beslissingen met aanzienlijke
financiële implicaties.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.