Zoeken

Nieuwsbrief

Welke auto reed door groen?

HR 17 november 2006, LJN: AY9749, C05/140 HR

Essentie

Verkeersongeval op kruising. Niet meer vast te stellen wie van de twee automobilisten door rood is gereden. Voorop staat dat eiser zal moeten bewijzen dat gedaagde door rood is gereden. Wordt dit bewijs niet geleverd dan is gedaagde alsnog aansprakelijk in het geval hij zo gevaarlijk handelde en daarmee de kans op een ongeval zo groot maakte, dat hij zich van dat handelen had moeten onthouden.

Feiten

Op 20 november 2000 vond op een met verkeerslichten beveiligd kruispunt een aanrijding plaats tussen een auto bestuurd door X en een auto bestuurd door Y. De toedracht van het ongeval was als volgt. Terwijl Y op de kruising links afsloeg, werd hij door de tegemoetkomende auto van X aangereden. Hierbij liep de auto van X schade op. X sprak daarop de WAM-verzekeraar van Y, verder te noemen V, aan voor de door hem geleden schade. X legde aan zijn vordering ten grondslag dat, gezien het feit dat zowel Y als hijzelf stelt dat hij groen licht had en dat achteraf niet meer is vast te stellen wie van beiden gelijk heeft, de normale voorrangsregel van artikel 18 lid 1 RVV ('rechtdoor op dezelfde weg gaat voor') gold. Dit brengt volgens X mee dat Y aan hem voorrang had moeten verlenen.

Rechtbank

De rechtbank wees de vordering van X toe. Daarbij overwoog zij dat het beroep van X op artikel 18 lid 1 RVV 1990 niet opgaat, aangezien er ter plaatse in werking zijnde verkeerslichten waren. Geconcludeerd moet worden dat Y vóór zijn links afslaande manoeuvre in het geheel niet heeft gekeken naar de rijbaan waarop X reed. Dit betekent dat hij aldus heeft gehandeld in strijd met het verbod van artikel 5 WVW om zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg kan worden veroorzaakt. De rechtbank wees de vordering van X dan ook toe.

Gerechtshof

Het Hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en wees de vordering van X alsnog af. Vaststaat dat X niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat Y door het voor hem bestemd rood uitstralend verkeerslicht was gereden. Bij beoordeling van het geschil moet er dus vanuit worden gegaan dat dit niet het geval is geweest en dat dus X degene is geweest die door rood licht is gereden. Bovendien oordeelde het hof dat - ervan uitgaande dat X door rood was gereden - Y ervan uit mocht gaan dat hij veilig de kruising kon oprijden en linksaf kon slaan. Als Y al oplettend zou zijn geweest, valt deze fout in het niet bij de verkeersfout van X, zodat ook in dat geval de schade redelijkerwijs volledig aan X is toe te rekenen, aldus het hof. Het hof wees de vordering van X dan ook af.

Hoge Raad

De cassatiemiddelen van X richtten zich ondermeer tegen het oordeel van het hof dat voor de beoordeling van het geschil er veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat hij (X) door rood is gereden en zo de aanrijding heeft veroorzaakt. De Hoge Raad overweegt als volgt.
In het geval tussen partijen vaststaat dat één van de twee door rood licht moet hebben gereden, maar geen van beiden in staat is dit te bewijzen, dient bij de beantwoording van de vraag of de ene automobilist aansprakelijk is tegenover de ander uit te worden gegaan van de veronderstelling dat de aansprakelijk gestelde automobilist door groen licht is gereden. Daaruit volgt echter niet automatisch dat gedaagde niet aansprakelijk zou zijn. Indien gedaagde immers onmiddellijk voor de aanrijding gevaarzettend heeft gehandeld en daardoor een situatie in het leven heeft geroepen die de kans op een ongeval zo groot maakte dat hij zich van dat handelen had moeten onthouden, is hij aansprakelijk tegenover eiser. Bij de beantwoording van de vraag of zodanig gevaarzettend handelen sprake is, zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Dit betekent kort gezegd dat de rechter in dat verband het verkeersgedrag van partijen direct voorafgaand aan de aanrijding dient mee te wegen, te weten (i) de vraag of gedaagde concrete aanleiding had om verdacht te zijn op een verkeersfout van de ander, (ii) de snelheid van zowel eiser als gedaagde en de afstand die zij tot de betreffende kruising hadden, alsmede (iii) de overzichtelijkheid van de kruising en (iv) de vraag of er op de kruising waarschuwingsborden waren. Voor zover vast zou komen te staan dat van enig onrechtmatigheid van gedaagde sprake is, dient bij een beroep van gedaagde op eigen schuld (ex artikel 6:101 BW) aan de kant van de eiser, er vanuit te worden gegaan dat eiser door groen licht is gereden. De stelplicht en de bewijslast voor eventuele eigen schuld van eiser rusten immers op de gedaagde.

De Hoge Raad vernietigt dan ook het arrest van het hof.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Anne de Groot

Tel: +31 20 5506 898
E-mail: anne.de.groot@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin