Zoeken

Nieuwsbrief

Wetswijziging voor aanleg, instandhouding en opruiming van kabels

Wijziging hoofdstuk 5 van de Telecommunicatiewet (Tw) sinds 1 februari 2007

Achtergrond

De algemene plicht om de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels te gedogen is een zeer vergaande inbreuk op het eigendomsrecht, die betrekkelijk uniek is in de Nederlandse wetgeving. Zeker als je bedenkt dat er voor de aanleg van vergelijkbare voorzieningen als elektriciteitskabels en water- en gasleidingen geen wettelijke (generieke) gedoogplicht bestaat.

De moeilijkheid bij de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels is dat er uiteenlopende en vaak tegengestelde belangen van verschillende partijen mee zijn gemoeid. Men heeft immers niet alleen te maken met de belangen van degene die ondergrondse infrastructuur aanleggen, maar ook met belangen van degene die de aanleg in 'hun' grond dienen toe te staan (de gedoogplichtigen) en publieke belangen, zoals tegengaan van overlast, het waarborgen van bereikbaarheid, het verzekeren van veiligheid van de openbare ruimte, de doorstroming van het verkeer en de snelle uitrol van elektronische communicatie-infrastructuur.

Wijzigingen in de Tw

Met de wetswijziging is beoogd te verduidelijken wat de gedoogplicht voor belanghebbende partijen betekent, omdat dit voor wetswijziging niet altijd even duidelijk was.

Wie moet gedogen:
De gedoogplicht geldt voor zowel rechthebbenden als voor beheerders van de grond waarin de kabels worden aangelegd. Ook het rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen zullen als civielrechtelijke rechthebbende of beheerder moeten gedogen (artikel 5.2 Tw).

Wat moet worden gedoogd:
De gedoogplicht geldt slechts voor kabels ten dienste van een openbaar elektronisch communicatienetwerk. Niet-openbare elektromagnetische communicatiewerken vallen buiten de werking van hoofdstuk 5 Tw, tenzij de netwerken geheel of hoofdzakelijk worden gebruikt voor vitale overheidstaken.

De gedoogplicht geldt niet alleen voor kabels die door exploitanten van openbare elektronische communicatienetwerken worden aangelegd, maar ook voor kabels die ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken door andere partijen worden aangelegd. Gedacht kan worden aan gespecialiseerde bedrijven die, ofwel in opdracht van een exploitant van openbare elektronische communicatienetwerken, ofwel op eigen initiatief op eigen risico nieuwe kabels aanleggen om ze later te verhuren of verkopen aan aanbieders van een elektronisch communicatienetwerk (artikel 5.1 Tw).

Nieuw is ook dat aangelegde kabels niet onmiddellijk hoeven te worden gebruikt. Dit kan handig en financieel voordelig zijn, omdat het hierdoor mogelijk is kabels die nog niet direct nodig zijn voor exploitatie toch vast aan te leggen als de grond om een andere reden open ligt. Indien de kabels niet binnen een periode van tien jaar worden gebruikt, vervalt de gedoogplicht en kan de rechthebbende op de grond om verwijdering van de kabels vragen. Hetzelfde regime geldt voor de aanleg van lege mantelbuizen en - nieuw is - ook voor andere ondergrondse ondersteuningswerken of beschermingswerken, waarin geen fysieke geleidingsdraden zijn aangebracht (artikel 5.2, achtste lid, Tw).

Waar moet worden gedoogd:
In openbare gronden dient de aanleg, instandhouding en opruiming van alle kabels gedoogd te worden. In niet-openbare gronden, met uitzondering van tuinen en erven die met bewoonde percelen één geheel vormen, dient de aanleg van andere dan lokale kabels gedoogd te worden. De gedoogplicht voor bovengrondse kabels is beperkt doordat kabels boven de grond alleen gedoogd moeten worden als deze gebruik maken van bestaande of op te richten ondersteuningswerken (ook voor werken die niet voor elektronische communicatie zijn opgericht, zie artikel 5.2 Tw).

Belangen van gedoogplichtigen en publieke belangen:
De procedure die de aanbieder moet volgen bij het streven naar overeenstemming met de gedoogplichtige wordt aangescherpt. Er dient ondermeer overeenstemming te worden nagestreefd, niet alleen over plaats en wijze van uitvoering, maar ook over het tijdstip van aanleg. Voorts kan de gedoogplichtige verlangen dat al aanwezige ondergrondse voorzieningen (zoals buizen) worden gebruikt, voorzover deze tegen marktconforme tarieven beschikbaar zijn. Dit geldt niet indien medegebruik van mantelbuizen technisch of economisch niet haalbaar is. Ook kan de gedoogplichtige bijvoorbeeld bepalen wie de grond terug brengt in de oude staat. Dit op (marktconforme) kosten van de aanbieder. En zo zijn er nog een aantal aanscherpingen.

Gemeenten kunnen voor het publieke belang voorwaarden stellen aan de aanleg van genoemde kabels, als uitgewerkt in artikel 5.4 Tw.

Een van de belangrijkste wijzigingen voor de praktijk betreft wellicht artikel 5.14 Tw op grond waarvan de gemeente geen openbare elektronische communicatiediensten mag aanbieden of hierin mag deelnemen. Hoofdregel is dat de markt voorziet in het aanbieden van openbare elektronische communicatiediensten. Hierop bestaat een uitzondering wanneer het aannemelijk is dat zonder de deelname van de gemeente geen vergelijkbaar netwerk tot stand komt. Voorts dient belangenverstrengeling bij de gemeente te worden voorkomen waarmee de concurrentieverhoudingen in de markt worden beïnvloed. Om te voorkomen dat de gemeente een dubbele pet op heeft bij het verlenen van het instemmingsbesluit voor werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding or opruiming van kabels, is in artikel 5.14 Tw bepaald dat de personen die bij de gemeente instemmingsbesluiten voorbereiden niet betrokken zijn bij bovengenoemde besluitvorming of activiteiten. Er is overigens wel overgangsrecht geformuleerd in het gewijzigde artikel 20.12 Tw.

Handhaving en geschilbeslechting:
OPTA blijft grotendeels belast met de handhaving van hoofdstuk 5 Tw. Voor het overige wordt bestuursrechtelijke handhaving van gemeentelijke besluiten overgelaten aan de gemeenten en is er voor bijvoorbeeld schadevergoeding gekozen voor civielrechtelijke handhaving. De kantonrechter is bevoegd geschillen inzake de hoogte van de kosten met betrekking tot het nemen van maatregelen ten aanzien van kabels als bedoeld in artikel 5.8 en 5.9 Tw, ongeacht de hoogte van de vordering, te behandelen en te beslissen.

Overige relevante wetswijzigingen

Belangrijke overige wijziging voor de praktijk kan zijn is de toevoeging van een tweede lid aan artikel 5:20 BW. Dit artikel beschrijft al datgene wat de eigendom van de grond omvat. Om te voorkomen dat netten door natrekking eigendom van de grond worden is er een 'doorknip van verticale natrekking van netten' in het tweede lid opgenomen. De eigendom van een net - een werk in de zin van het BW - wordt geheel losgemaakt van die van de grond. Kabels en leidingen die tot een net behoren en die in of aan gebouwen of werken van andere zijn of worden aangelegd, blijven eigendom van de eigenaar van het net en worden geen bestanddeel van de gebouwen of werken van anderen. Wat er tot een net behoort, verschilt per net, maar een elektronisch communicatienetwerk zal bijvoorbeeld daar eindigen waar de abonnee toegang krijgt tot het net. In de meeste gevallen zal dit het fysieke netwerkaansluitpunt zijn.

De wetswijziging heeft voorts de rechtspraak gecodificeerd door te bepalen dat netten als onroerende zaken zijn te beschouwen. Hieruit vloeit voort dat de overdracht van netten dient te worden ingeschreven in het kadaster. Dit geeft problemen voor netten die nog niet zijn geregistreerd en die in het verleden zijn aangelegd en/of waarvan het beheer al verschillende malen is overgedragen. In een aantal gevallen zal via gerechtelijke procedures vastgesteld moeten worden, wie als bevoegde aanlegger dient te worden aangemerkt. De aanleg en verwijdering van een net of een deelnet kan worden ingeschreven in het kadaster op grond van artikel 3:17 lid 1 onderdeel k BW. De eigendom komt te liggen bij de bevoegde aanlegger daarvan dan wel bij diens rechtsopvolger (meestal de opdrachtgever van de feitelijke fysieke aanleg).

Gevolgen

De wetswijziging betreft geen fundamentele wijziging, maar verduidelijkt en scherpt het een en ander in hoofdstuk 5 van de Tw aan. De wetswijziging heeft wel enkele gevolgen voor bedrijven en gemeenten die zich bezig houden met de aanleg van kabels ten dienste van openbare elektronische communicatienetwerken en de ondersteunings- en beschermingsnetwerken (aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken). Een belangrijke wijziging is wellicht dat de gemeente in beginsel niet meer investeert of deelneemt in openbare elektronische communicatienetwerken of openbare elektronische communicatiediensten. Een andere wellicht handige wijziging voor de praktijk is dat ongebruikte kabels en ondergrondse ondersteunings- en beschermingswerken gedoogd dienen te worden voor een periode van tien jaar, hetgeen met zich brengt dat investeringen in de aanleg van kabels op een financieel gunstigere wijze kan plaatsvinden doordat de graafkosten gedeeld kunnen worden met een andere partij.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Janneke Pennings

Tel: +31 (0)20 5506 867
E-mail: janneke.pennings@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin