Zoeken

Nieuwsbrief

De ongelukkige zweefkoprol

HR 19 januari 2007, C05/240 HR, LJN: AZ 0129

Essentie

Tijdens een gymnastiekles haalt een leraar een leerling over om een zweefkoprol uit te voeren door hem een colaatje aan te bieden. De leerling loopt vervolgens letsel op. Er is sprake van onzorgvuldig handelen van de leraar.

Feiten

Kind X liep op 24 februari 1997 letsel op bij het uitvoeren van een zweefkoprol tijdens een gymnastiekles. X aarzelde met het maken van een zweefkoprol, maar werd door gymnastiekleraar Y aangemoedigd door het aanbieden van een colaatje. X had een visuele handicap, waardoor hij moeite had met het inschatten van afstanden. Y was daarmee ten tijde van het ongeval bekend. X was ten tijde van het ongeval dertien jaar oud.

Rechtbank

De ouders van X (A en B) hebben vervolgens op 15 november 1999 als wettelijke vertegenwoordigers van X de werkgever van Y, Z, gedagvaard. Zij hebben aan hun vordering ten grondslag gelegd dat Z aansprakelijk is voor de door X ten gevolge van het incident geleden en nog te lijden schade, omdat Z althans de leraar Y, te weinig veiligheidsmaatregelen had genomen bij het uitvoeren van de zweefkoproloefening. A en B stelden dat Y, gelet op de hem bekende visuele handicap van X, extra aandacht aan hem had moeten besteden en hem niet een colaatje had mogen aanbieden om hem aan te moedigen. X heeft zich daardoor gedwongen gevoeld om meer risico's te nemen dan hij fysiek aankon.
De rechtbank heeft na een deskundigenbericht en een getuigenverhoor de vordering afgewezen.

Gerechtshof

A en B gingen in hoger beroep. Z beriep zich bij memorie van antwoord primair op de niet-ontvankelijkheid van de ouders, omdat X gedurende de procedure meerderjarig was geworden en van een volmacht van X aan A en B geen sprake was. Subsidiair bestreed Z de grieven van A en B. Het hof ging aan het beroep op niet-ontvankelijkheid voorbij en wees de vordering van A en B toe.

Hoge Raad

Z ging in cassatie en betoogde onder meer dat het hof ten onrechte is voorbij gegaan aan het beroep op niet-ontvankelijkheid, omdat de verklaring van X bij pleidooi dat hij zijn ouders volmacht had verleend tot het uitbrengen van de appeldagvaarding, niet kan meebrengen dat het hoger beroep geacht moet worden namens hem als volmachtgever te zijn ingesteld. De ouders zouden volgens Z niet reeds bij dagvaarding - noch overigens op andere wijze voor het verstrijken van de appeltermijn - hebben gesteld op te treden als zijn gevolmachtigde, maar zich alleen hebben gepresenteerd als de wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige X. Verder kan volgens Z de verklaring van X dat hij het geding overnam niet met zich brengen dat hij (formele) partij in het geding is geworden.

De Hoge Raad overweegt dat in het oordeel van het hof niet alleen besloten ligt dat de volmacht die X naar zijn verklaring bij pleidooi aan zijn ouders had verleend door hen is aanvaard, maar ook dat A en B naar het oordeel van het hof het hoger beroep namens hun tijdens de procedure in eerste aanleg meerderjarig geworden zoon X hebben ingesteld. Dit ondanks het feit dat A en B in de appeldagvaarding anders hadden verklaard. Zo bezien geeft de verwerping door het hof van het door Z gedane beroep op niet-ontvankelijkheid niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het onderdeel slaagt derhalve niet.

Ten aanzien van de klacht over het oordeel van het hof dat genoegzaam vast is komen te staan dat Y niet de benodigde zorgvuldigheid in acht heeft genomen, is de Hoge Raad van mening dat het oordeel van het hof dat is gebaseerd op de conclusies en de bevindingen van de door de rechtbank benoemde deskundige niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. De deskundige had onder meer overwogen dat het beloven van een colaatje om de zweefkoprol uit te voeren een negatief effect heeft op het beoogde leerproces. De deskundige overwoog ook dat reeds op dat moment de veiligheid van de leerling in de gymnastiekoefening onvoldoende werd gegarandeerd. Volgens de deskundige had Y op basis van zijn opleiding en op grond van zijn professionaliteit nooit kunnen besluiten tot externe motivatiemiddelen zoals hij die had genomen.
De Hoge Raad merkt nog op dat het oordeel van het hof zo zeer is verweven met de waardering van feitelijke aard dat het voor het overige in cassatie niet op juistheid kan worden onderzocht. Het is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
De Hoge Raad verwerpt het beroep van Z.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Tim van Kampen

Tel: +31 20 5506 817
E-mail: tim.van.kampen@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin