Eerste arrest over Europees modellenrecht: vrijheid van de ontwerper staat centraal
Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie 18 maart
2010, zaak nr. T-9/07, www.curia.europa.eu
Gemeenschapsmodel
Sinds 2003 bestaat het zogenaamde Gemeenschapsmodel, een
Europees modelrecht waarmee in één keer in alle Lidstaten van de
Europese Unie bescherming kan worden verkregen voor 'tekeningen en
modellen van nijverheid'. Onderwerp van die bescherming is het
uiterlijk van een tweedimensionaal (tekening) of een
driedimensionaal (model) gebruiksvoorwerp. In navolging van het
Gemeenschapsmerk, de pan-Europese bescherming voor handelsmerken
die in 1996 haar intrede deed, is ook het Gemeenschapsmodel
bijzonder succesvol: sinds de introductie in 2003 heeft het
Europese Merken- en Modellenbureau, het Bureau voor Harmonisatie
binnen de Interne Markt ('BHIM') ongeveer 400.000 modelregistraties
verricht. Kort gezegd beschermt een modelregistratie de houder
tegen 'namaak' van het model.
Het Gerecht van Eerste Aanleg ('GEA') heeft nu voor het eerst
sinds de invoering van de Europese modelbescherming arrest gewezen
over dit onderwerp, en daarmee meer invulling gegeven aan een
aantal begrippen uit de Europese Modellenverordening ('GmVo'). De
casus was als volgt.
Modeldepots voor 'rappers'
PepsiCo, de internationaal bekende fabrikant van softdrinks,
deponeert op 23 juli 2003 een model dat wordt ingeschreven in de
categorie 'reclamemateriaal voor spellen'. Het betreft een
zogenaamde 'tazo' (Spaans) of 'rapper' (Engels), een soort Flippo
die aan met name chipsverpakkingen wordt toegevoegd. Het depot
wordt op16 november 2003 ingeschreven. De Spaanse onderneming Grupo
Promer Mon Graphic maakt daarop bezwaar tegen de inschrijving van
Pepsi, en vordert de nietigverklaring van het depot bij het BHIM.
Deze vordering baseert Grupo Promer op haar eigen modeldepot van 8
juli 2003, ingeschreven op 1 november 2003, voor een 'metalen
schijfje voor spellen' - ook een rapper. Het model van Pepsi
ontbeert de voor een modelinschrijving vereiste nieuwheid en
bovendien is haar recht ouder, aldus Grupo Promer. De
nietigheidsafdeling van het BHIM verklaart in eerste instantie het
model van Pepsi nietig, maar de Kamer van Beroep van het BHIM
draait die beslissing terug: het model van Pepsi is niet in strijd
met het model van Grupo Promer omdat het model een 'andere algemene
indruk' wekt bij de geïnformeerde gebruiker. Omdat op grond van
artikel 10 lid 1 GmVo alleen modellen die geen andere algemene
indruk wekken inbreuk maken op het model, is er geen sprake van
inbreuk en kunnen de modellen van Pepsi en Grupo Promer gewoon
naast elkaar bestaan - zo oordeelt de Kamer van
Beroep.
Oordeel Gerecht van Eerste Aanleg
Grupo Promer gaat daarop in beroep bij het Gerecht van Eerste
Aanleg. Het Gerecht wijst er op dat bij de vraag of een andere
algemene indruk wordt gewekt rekening moet worden gehouden met de
mate van vrijheid die de ontwerper van het model heeft gehad
(artikel 10 lid 2 GmVo). Als deze vrijheid beperkt was, volstaan
kleine verschillen tussen de modellen om een andere algemene indruk
te kunnen wekken (en is er dus geen sprake van inbreuk). Ten
aanzien van de rappers had de Kamer van Beroep van het OHIM
geoordeeld dat de vrijheid van de ontwerper ervan sterk beperkt is:
alle rappers zijn platte plastic of metalen schijfjes waarop
afbeeldingen in kleur kunnen worden gedrukt en die in het midden
bol zijn, zodat er een geluid wordt geproduceerd als op het midden
van de schijf wordt gedrukt. Zonder deze kenmerken zou een rapper
weinig kans maken om op de markt te worden aanvaard. Het Gerecht
volgt deze vaststelling van de Kamer van Beroep, en gaat er dus
vanuit dat de vrijheid van de ontwerpers van de rappers erg beperkt
is. De vraag is dan hoe de modellen van Pepsi en Grupo Promer
moeten worden vergeleken om te bepalen of ze naast elkaar kunnen
bestaan. Het Gerecht oordeelt in dat verband dat de geïnformeerde
gebruiker af zal gaan op de elementen van het model 'die
willekeurig zijn of afwijken van de norm' en niet op de elementen
die kenmerkend zijn voor een rapper in het algemeen. Vervolgens
vergelijkt het Gerecht de rappers van Pepsi en Grupo Promer op vijf
verschillende punten waar de ontwerper wèl vrij was om keuzes te
maken. Daarbij komt het tot de conclusie dat de verschillen op deze
punten te klein zijn om te kunnen spreken van een 'andere algemene
indruk' bij de geïnformeerde gebruiker. De beslissing van de Kamer
van Beroep wordt dan ook vernietigd, en het modeldepot van Pepsi is
dus alsnog nietig gebleken.
Conclusie
Dit arrest van het Gerecht sluit inhoudelijk aan bij de
rechtspraak die we kennen uit andere terreinen van het
intellectueel eigendomsrecht die het uiterlijk en de vormgeving van
producten beschermen. Kort gezegd geldt dat op de punten waarop het
mogelijk is afstand te nemen van andere, al bestaande producten, je
dat als ontwerper ook moet doen. Gebeurt dat niet, dan is er sprake
van inbreuk. Sinds het arrest van het Gerecht weten we dat dit ook
geldt voor het Europese modellenrecht.