Verjaring bij onrechtmatige strafvervolging
Hoge Raad 9 april 2010, LJN BL1118
Essentie
De korte verjaringtermijn van een vordering op de Staat vanwege
onrechtmatige vervolging vangt aan op de dag na de aanhouding van
de verdachte. Op dat moment was de verdachte bekend met het feit
dat hij schade lijdt en met de daarvoor aansprakelijke
persoon.
Samenvatting
X en Y werken voor een bank. Op een zeker moment ontstaat bij de
bank een vermoeden dat zij frauderen. De bank meldt dit aan de
politie. Enige tijd later worden de arbeidsovereenkomsten van X en
Y vanwege de bestaande verdenkingen ontbonden. Bijna twee jaar
later houdt de politie X en Y aan vanwege de verdenking. Weer ruim
twee jaar later spreekt de strafrechter X en Y vrij (voor zover van
belang). Het openbaar ministerie gaat in hoger beroep. Zij trekt
dit hoger beroep na anderhalf jaar in. Het vonnis van de
strafrechter gaat dan in kracht van gewijsde. Weer bijna twee jaar
later dagvaarden X en Y de Staat (en de bank) en vorderen zij
vergoeding van de schade die zij hebben geleden vanwege de
strafrechtelijke vervolging. Zij stellen dat uit het dossier in de
strafzaak blijkt dat zij onschuldig zijn. De Staat stelt dat de
vorderingen van X en Y verjaard zijn omdat meer dan vijf jaar zijn
verstreken tussen de aansprakelijkstelling en de dag dat X en Y
werden aangehouden. De rechtbank wijst de vorderingen van X en Y
af. Zij stellen hoger beroep in. Het hof oordeelt in het kader van
het verjaringsverweer dat X en Y op de dag van hun aanhouding
bekend waren met hun schade en met de aansprakelijke persoon. Omdat
zij wisten dat zij onschuldig waren, waren zij daadwerkelijk in
staat om een vordering in te stellen. Als aan die voorwaarde is
voldaan begint de verjaringstermijn van artikel 3:310 BW te lopen.
Volgens de Hoge Raad geeft dit geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting. Het is evenmin onbegrijpelijk. De Hoge Raad
verwerpt dan ook het cassatieberoep.
In perspectief
Hoge Raad 14 januari 2005, LJN AR1522 (gebleken onschuld
criterium)
Hoge Raad 9 oktober 2009, LJN BJ4850 (aanvang korte
verjaringstermijn)
Het is vaste rechtspraak dat een verdachte op grond van
onrechtmatige daad recht heeft op schadevergoeding van de staat als
hij is vervolgd, daardoor schade heeft geleden en achteraf uit zijn
strafrechtelijk dossier blijkt dat hij onschuldig is (het
'gebleken onschuld'-criterium). Dit kan blijken uit het
oordeel van een strafrechter, maar in veel gevallen zal de officier
van justitie de vervolging al hebben beëindigd voordat het tot een
vonnis komt. In de onderhavige zaak is het echter wel tot een
rechterlijk vonnis gekomen. In dit vonnis heeft de strafrechter
overwogen dat de stukken onvoldoende feiten en omstandigheden
bevatten om een redelijk vermoeden van schuld van X en Y aan de ten
laste gelegde feiten te kunnen rechtvaardigen. In het kader van de
vraag of de vorderingen van X en Y inmiddels waren verjaard, is van
belang of de verjaringstermijn begon op de dag dat dit vonnis
definitief was, of al eerder.
De wet bepaalt dat de verjaringstermijn van vijf jaar begint op
de dag nadat de benadeelde bekend is met de schade en met de
daarvoor aansprakelijke persoon. De Hoge Raad heeft in aanvulling
hierop bepaald dat de benadeelde 'daadwerkelijk in staat moet
zijn' om een vordering in te stellen (Hoge Raad 31 oktober
2003, LJN AL8168). Voor een overzicht van de bestaande
jurisprudentie van de Hoge Raad over de aanvang van de korte
verjaringstermijn verwijs ik naar de conclusie van de A-G (2.2 tot
2.4).
Het hof oordeelde dat X en Y op het moment van hun aanhouding
daadwerkelijk in staat waren om een vordering in te stellen. X en Y
worden dus al vóór de uitspraak van de strafrechter bekend geacht
met hun schade. De Hoge Raad en het hof leggen de nadruk in de
onderhavige zaak op de omstandigheid dat verdachten zelf wisten dat
zij onschuldig waren. Voor hen was zeker dat zij onterecht werden
vervolgd, dat zij schade leden en wie dat veroorzaakte. Het is niet
geheel duidelijk hoe dit oordeel zich verhoudt tot de uitspraak van
de Hoge Raad van 9 oktober 2009. In die uitspraak oordeelde de Hoge
Raad dat de korte verjaringstermijn pas ging lopen op het moment
dat het oordeel van een rechterlijke instantie, waaruit bleek dat
een advies foutief was, waardoor schade was ontstaan, in kracht van
gewijsde ging. Het blijft in elk geval belangrijk om telkens aan de
hand van de omstandigheden van het geval na te gaan op welk moment
de benadeelde daadwerkelijk in staat was zijn vordering in te
stellen. Vaste aanknopingspunten - zoals het in kracht van gewijsde
gaan van een beslissend vonnis - doen hierbij slechte dienst.