Geen schending schadebeperkingsplicht bij nalaten vernietigingshandeling
Hoge Raad 23 april 2010, LJN BL4084
Essentie
De in deze procedure aangesproken notaris heeft zich op de
schadebeperkingsplicht beroepen, omdat de kinderen de volmachtakte
met een beroep op bedrog of dwaling hadden kunnen vernietigen.
Volgens het hof stond het achterwege laten van deze vernietiging
niet in zodanig verband met de schade, dat het redelijk was deze
schade aan de benadeelde toe te rekenen. Dat oordeel laat de Hoge
Raad in stand.
Samenvatting
De ouders van eisers (de kinderen) zijn in 1993 gescheiden. De
kinderen waren ermee bekend dat de affectieve relatie tussen de
ouders in stand bleef en dat de echtscheiding slechts om fiscale
redenen plaatsvond. In 1993 heeft een notaris in het kader van de
ontbinding van de huwelijksgemeenschap een akte opgesteld. In de
akte was opgenomen dat de moeder de woning zou verkrijgen, de
moeder tegenover de vader een schuld wegens overbedeling op zich
zou nemen en die schuld onmiddellijk zou worden verrekend. Na het
overlijden van de moeder in 2000 heeft de vader zich in het kader
van de nalatenschap tot dezelfde notaris gewend. Volgens de vader
was de nalatenschap negatief door een vordering van de vader op de
moeder. De notaris heeft - zonder onderzoek naar de juistheid van
de mededelingen van de vader - een volmachtakte opgesteld, waarin
is opgenomen dat de kinderen het erover eens waren dat alle
bezittingen van de moeder volledig waren gefinancierd door de vader
en waarin de kinderen erkenden dat al haar bezittingen toekwamen
aan de vader. Jaren later hebben de kinderen ontdekt dat de
nalatenschap van hun overleden moeder niet negatief was.
In deze procedure vorderen de kinderen schadevergoeding van de
notaris. Het hof heeft onder meer geoordeeld dat sprake was van
bedrog, omdat in de volmachtakte de zin was opgenomen dat alle
bezittingen van de overleden moeder volledig gefinancierd waren
door de vader. Het hof heeft verder het betoog van de notaris
verworpen dat de kinderen in strijd met de op hen rustende
schadebeperkingsplicht hadden gehandeld door na te laten de
volmachtakte te vernietigen. Met dit oordeel heeft het hof volgens
de Hoge Raad tot uitdrukking gebracht dat het achterwege laten van
de bedoelde maatregelen niet in zodanig verband staat met de door
de notaris veroorzaakte schade, dat de schade in redelijkheid mede
aan de kinderen kan worden toegerekend. Dit oordeel geeft volgens
de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste
rechtsopvatting.
In perspectief
Uit dit arrest blijkt eens te meer dat een beroep op de
schadebeperkingspicht van de benadeelde niet snel wordt
gehonoreerd.
In principe is de benadeelde gehouden tot het nemen van
maatregelen ter beperking van de schade. De grenzen van deze
verplichting worden door de redelijkheid bepaald. Indien de
benadeelde nalaat om deze schadebeperkende maatregelen te treffen,
dan worden de gevolgen hiervan in mindering gebracht op de
schadevergoedingsplicht. Het antwoord op de vraag of de benadeelde
redelijk heeft gehandeld, is sterk afhankelijk van de concrete
omstandigheden van het geval. Dit blijkt onder meer uit de arresten
van de Hoge Raad van 18 april 1986 (NJ 1986, 567) en van 29 mei
1998 (NJ 1998, 641).
De schadevergoeding wordt slechts door de niet-nakoming van een
schadebeperkingsplicht verminderd, indien er voldoende causaal
verband bestaat tussen de gedraging van de benadeelde en de
schadelijke gevolgen. Er dient ten minste een condicio sine qua
non-verband aanwezig te zijn, doch de enkele aanwezigheid daarvan
is onvoldoende. Uit het hier besproken arrest blijkt dat in de
literatuur terecht wordt verondersteld dat de in art. 6:98 BW
neergelegde causaliteitsleer ook moet worden toegepast. Dit houdt
in dat de schade, althans een deel daarvan, mede in zodanig verband
moet staan met de omstandigheden van de zijde van de benadeelde,
dat het redelijk is deze schade als een gevolg van die
omstandigheden aan de benadeelde toe te rekenen.
De toepassing van de causaliteitsleer leidde in het onderhavige
geval tot het oordeel dat het feit dat de kinderen de overeenkomst
tussen hen en hun vader niet op grond van dwaling of bedrog hadden
vernietigd, geen gevolgen had voor de omvang van de
schadevergoedingsplicht. De notaris kon geen beroep doen op de
niet-nakoming van de schadebeperkingsplicht.
De causaliteitsdrempel lijkt in dit arrest redelijk hoog. Dit
kan samenhangen met het in de rechtspraak en de literatuur
aangenomen uitgangspunt dat niet uit het oog mag worden verloren
dat het de aansprakelijke is geweest die de benadeelde in de
positie heeft gebracht die hem tot schadebeperkend handelen
verplichtte. Zie onder meer Hof Leeuwarden 9 september 2008 (NJF
2008, 459).