Eerste uitspraken Wet bestuurlijke lus
Inhoud Wet bestuurlijke lus
In de
nieuwsbrief van januari dit jaar is aandacht
besteed aan de inwerkingtreding en de inhoud van de wet.
Samengevat bevat de wet een herstelmogelijkheid, op grond
waarvan het bestuursorgaan na een rechterlijke tussenuitspraak
in de beroepsprocedure een gebrek in een besluit kan helen. De
rechter kan op grond van de nieuwe artikelen 8:80a en 8:51a Awb
die tussenuitspraak doen. In de tussenuitspraak wordt zoveel
mogelijk vermeld op welke wijze het bestuursorgaan het besluit
moet herstellen. Ook bevat de tussenuitspraak de termijn
waarbinnen het besluit moet worden
hersteld.
Anticiperende uitspraak rechtbank Utrecht
De eerste uitspraak waarin de Wet bestuurlijke lus wordt
genoemd, is een uitspraak van de rechtbank Utrecht. Hoewel de Wet
bestuurlijke lus nog niet in werking was getreden, houdt de
rechtbank de behandeling van de zitting in december 2009 aan tot
januari 2010 en stelt het bestuursorgaan in de gelegenheid zich te
beraden op de grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank
doet dit ten behoeve van finale geschilbeslechting en loopt hiermee
in feite dus vooruit op de inwerkingtreding van de Wet bestuurlijke
lus. Op deze manier kan het bestuursorgaan immers gedurende de
beroepsprocedure het bestreden besluit repareren.
Na de tweede zitting doet de rechtbank Utrecht uitspraak op 13
januari 2010. Het bestuursorgaan had in de tussentijd de grondslag
van het bestreden besluit gewijzigd. Het bezwaar van eisers dat zij
onvoldoende tijd hadden om op het gewijzigde besluit te reageren,
wordt door de rechtbank verworpen. De rechtbank verwijst hierbij
naar de nieuwe mogelijkheid van de Wet bestuurlijke lus om bij
gegrondverklaring van het beroep, het nieuwe besluit niet opnieuw
volgens een uitgebreide procedure voor te
bereiden.
Eerste uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State
Op 17 maart 2010 heeft de Afdeling twee uitspraken over de Wet
bestuurlijke lus gedaan. De eerste uitspraak gaat over een besluit
dat niet door de juiste personen is ondertekend. Gelet op het
belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, stelt de
Afdeling het bestuursorgaan binnen twee weken na de tussenuitspraak
in de gelegenheid het gebrek te herstellen of een ander besluit te
nemen. Er wordt overigens niet verder toegelicht waarom sprake is
van een belang bij spoedige beëindiging van het geschil.
Dezelfde dag wijst de Afdeling nog een uitspraak over de Wet
bestuurlijke lus, waarin ook toepassing wordt gegeven aan die wet
gelet op het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil.
Het bestreden besluit is volgens de Afdeling onvoldoende zorgvuldig
voorbereid. De Afdeling motiveert waarom het besluit in strijd met
het zorgvuldigheidsbeginsel is genomen, draagt bestuursorgaan op
nader onderzoek te doen en omschrijft helder wat het doel van het
nadere onderzoek moet zijn.
Uitspraak Afdeling 14 april
2010
Deze hoger beroepsprocedure is gericht tegen een uitspraak van
de rechtbank Maastricht, waarin is geoordeeld dat verweerder het
bestreden besluit ten onrechte niet aan de Wet openbaarheid van
bestuur heeft getoetst. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar
vernietigd en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de
uitspraak in de plaats treedt van de beslissing op bezwaar.
In hoger beroep bevestigt de Afdeling het oordeel dat ten
onrechte niet aan de Wet openbaarheid van bestuur is getoetst. De
Afdeling oordeelt verder dat de rechtbank niet zelf in de zaak had
mogen voorzien en draagt de minister op het gebrek te herstellen.
Dit is opmerkelijk, want de beslissing op bezwaar was al door de
rechtbank was vernietigd. Er moet dus een gebrek in een reeds
vernietigd besluit worden hersteld. Verder geeft de Afdeling
duidelijk aan hoe het gebrek moet worden hersteld: het
bestuursorgaan dient binnen vier weken het bezwaar op grond van de
Wet openbaarheid van bestuur te beoordelen.
Uitspraak
Afdeling 4 mei 2010
Deze uitspraak op verzet is het vervolg van een beroepsprocedure
tegen een goedkeuringsbesluit van een bestemmingsplan, dat na een
vereenvoudigde behandeling door de Afdeling gegrond is verklaard.
De Afdeling had dat beroep zonder zitting gegrond verklaard, omdat
onvoldoende stukken bij het ontwerp-bestemmingsplan ter inzage
hadden gelegen.
De gemeenteraad meent dat de Afdeling had moeten afwegen of het
gebrek kon worden hersteld door toepassing van de Wet bestuurlijke
lus. De gemeenteraad stelt dat met toepassing van de wet de
ontbrekende stukken alsnog aan belanghebbende toegestuurd hadden
kunnen worden. Het beroep op de Wet bestuurlijke lus wordt
afgewezen. De Afdeling verwijst hiervoor naar vaste jurisprudentie,
waaruit volgt dat alle stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor
de beoordeling van een ontwerpbestemmingsplan, ter inzage gelegd
moeten worden. Als dat niet is gebeurd, kan dat gebrek niet worden
gepasseerd door die stukken alsnog aan belanghebbenden toe te
zenden.
Conclusie
Het lijkt er op dat bij toepassing van de Wet bestuurlijke lus
duidelijk wordt aangegeven op welke manier het bestuursorgaan een
geconstateerd gebrek moet herstellen. Bovendien worden relatief
korte termijnen gesteld voor het herstel van de gebreken. De
voorzichtige conclusie op basis van bovenstaande uitspraken lijkt
dan ook te zijn dat de wet zijn doelstelling bereikt door
kostenbesparing en snellere finale geschilbeslechting. Ten slotte
lijkt de mogelijke spanning tussen rechter en bestuur, waarop in de
nieuwsbrief van januari dit jaar is gewezen, zich vooralsnog niet
voor te doen. Door enkel aan te geven welke actie van het
bestuursorgaan wordt verwacht, zonder aan te geven tot welke
bevindingen of welk nader besluit dat dient te leiden, worden de
beleids- en beoordelingsvrijheid van het bestuursorgaan voldoende
gerespecteerd.