Wrongful birth door niet goed uitgevoerde abortus
Hoge Raad 16 april 2004, LJN BL2229
Essentie
Na een mislukte abortus in de zevende week, besluit de aanstaande
moeder in de zeventiende week het kind toch niet te laten
aborteren. Zij stelt het ziekenhuis aansprakelijk voor de kosten
van de geboorte, het levensonderhoud van de baby en de immateriƫle
schade.
Samenvatting
Een ongewenst zwangere vrouw laat in de zevende week van haar
zwangerschap een abortus uitvoeren. Tijdens een controle in de
zeventiende week blijkt uit de echo dat de vrouw nog steeds zwanger
is. Zij besluit daarop het kind te houden. De vrouw vordert
vervolgens vergoeding van de schade welke zij heeft geleden als
gevolg van de medische fout, te weten de kosten voor de geboorte en
de kosten voor het levensonderhoud van haar zoon. De rechtbank
wijst de vordering af wegens het ontbreken van causaal verband
tussen de mislukte abortus en de geboorte van het kind. De vrouw
heeft er immers in tweede instantie zelf voor gekozen het kind niet
te laten aborteren. In hoger beroep oordeelt het hof dat er sprake
is van een medische fout van de gynaecoloog. Ten aanzien van het
causaal verband stelt het hof voorop dat de beslissing omtrent het
al dan niet afbreken van de zwangerschap een hoogst persoonlijke
beslissing van de vrouw is, gegrond op haar zelfbeschikkingsrecht.
Bij het persoonlijke karakter van die beslissing past niet dat de
tweede beslissing de vrouw kan worden tegengeworpen in die zin dat
zij daarmee haar aanspraak op schadevergoeding zou verliezen indien
zij er niet voor zou kiezen de gevolgen van de fout van de
gynaecoloog ongedaan te maken. Dit wordt anders indien de vrouw
onafhankelijk van de mislukte abortus toch een kinderwens zou
blijken te hebben. De gynaecoloog stelt dat de vrouw dit
medegedeeld zou hebben tijdens de controleafspraak. Het hof laat
het ziekenhuis toe in het bewijs van deze mededeling. Hierin slaagt
het ziekenhuis echter niet. In cassatie klaagt het ziekenhuis dat
het hof heeft miskend dat de bewijslast van het causaal verband op
de vrouw rust. Deze klacht faalt aangezien het hof heeft geoordeeld
dat causaal verband niet wordt doorbroken door de beslissing van de
vrouw naar aanleiding van de mislukte abortus. Het feit dat de
vrouw los van de mislukte abortus een kinderwens zou hebben, is een
nieuw feit dat, indien bewezen, het door het hof aangenomen causaal
verband alsnog zou verbreken. Het hof heeft terecht geoordeeld dat,
nu het ziekenhuis zich beroept op dit feit daarvan ook het
bewijsrisico draagt. De Hoge Raad verwerpt het
beroep.
In perspectief
Deze zaak betreft een 'wrongful birth' vordering. Dit is
een vordering tot schadevergoeding wegens een ongewenste
zwangerschap. Dit moet worden onderscheiden van een 'wrongful
life' vordering, wat een vordering tot schadevergoeding wegens
de geboorte van een gehandicapt kind inhoudt. In essentie gaat het
om het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw. De Hoge Raad
oordeelt dat een beslissing van een vrouw om, ondanks het feit dat
het medisch en juridisch nog mogelijk is, het kind na een medische
fout niet te laten aborteren, het causaal verband tussen de fout en
de schade niet kan doorbreken. De medische fout moet dan wel van
invloed zijn geweest op de keuze van de vrouw om het kind alsnog te
houden. Zo oordeelde de Hoge Raad ook in het wrongful birth-arrest
van 21 februari 1997 (NJ 1999, 145). De achterliggende gedachte is
dat van een vrouw die zwanger is als gevolg van een medische fout,
niet kan worden gevergd dat zij ter voorkoming van het ontstaan van
de schade het kind laat aborteren.