Zoeken

Nieuwsbrief

Hangmat arrest

Hoge Raad 8 oktober 2010, BM 6095

Essentie
Een vrouw raakt gewond doordat een pilaar afbreekt waaraan zij haar hangmat had opgehangen. De pilaar maakte onderdeel uit van het huis van haar en haar partner. Zij spreekt haar partner en diens verzekeraar aan op grond van artikel 6:174 BW voor haar schade. De Hoge Raad oordeelt dat ook een medebezitter een beroep op dit artikel toekomt. De aanspraak van de medebezitster moet wel worden verminderd met het aandeel in de schade dat overeenkomt met haar aandeel in het bezit.

Samenvatting

Een vrouw loopt ernstig letsel op als zij in een hangmat ligt en de pilaar waaraan de hangmat is bevestigd, afbreekt. De vrouw was ten tijde van het ongeval samen met haar partner eigenaar van het huis waartoe de pilaar behoorde. Zij hadden ten behoeve van hen beiden een aansprakelijkheidsverzekering afgesloten. De vrouw spreekt haar partner en zijn/hun aansprakelijkheidsverzekeraar aan op grond van artikel 6:174 BW. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat haar partner als (mede)bezitter van de opstal aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het gebrek in de pilaar. In de procedure staat de vraag centraal of ook een benadeelde die medebezitter is van de gebrekkige opstal de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:174 BW kan inroepen. De rechtbank oordeelt van wel. De aanspraak van de vrouw beperkt zich in dit geval echter wel tot 50% van de schade, nu zij zelf ook voor 50% bezitster is. Tegen dit oordeel hebben partijen (principaal en incidenteel) sprongcassatie ingesteld. In zijn arrest gaat de Hoge Raad uitgebreid in op de vraag of in dit geval het relativiteitsvereiste aan de vergoeding van de schade in de weg staat. Hij overweegt dat de tekst van artikel 6:174 BW de risicoaansprakelijkheid van de bezitter van een gebrekkig opstal niet beperkt tot schade van derden. Ook de wetsgeschiedenis biedt onvoldoende houvast voor de conclusie dat de wetgever aanspraken in situaties als de onderhavige heeft willen uitsluiten. Het is naar maatschappelijke opvattingen het meest redelijk dat het recht ook bescherming verleent aan degene die zelf medeverantwoordelijk kan worden geacht voor de gebrekkige opstal. Het is redelijker de schade van de benadeelde over alle bezitters te verdelen dan om de benadeelde medebezitter de schade volledig te laten dragen. Verder brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de benadeelde medebezitter zelf dat gedeelte van de door hem geleden schade draagt dat overeenkomt met zijn aandeel in de opstal. De Hoge Raad verwerpt dan ook het principale en incidentele cassatieberoep. De man is voor maximaal 50% aansprakelijk voor de schade van zijn vrouw.

In perspectief

Hoge Raad 23 februari 2007, LJN AZ 6219 (Io vivat)

De vraag die voorligt in de procedure is een typische vraag van relativiteit. Is artikel 6:174 BW voor deze situatie nu wel bedoeld? De vervolgvraag is: hoe weten we dat? Zowel de rechtbank, de AG als Hoge Raad komen tot de conclusie dat op basis van de tekst van artikel 6:174 BW, de tekst van andere artikelen uit de afdeling en de wetsgeschiedenis geen duidelijk antwoord bestaat op de vraag of in dit geval is voldaan aan het relativiteitsvereiste.

AG Spier schrijft naar aanleiding daarvan in zijn conclusie dat niet alleen de bedoeling van de wetgever van belang is bij het vaststellen van het doel van een wettelijke norm. Hij noemt als andere factoren die meewegen ‘de actuele maatschappelijke context, voortschrijdende inzichten, redelijkheid en dergelijke meer’ (4.4.1).

Maatschappelijke opvatting

De Hoge Raad neemt als leidend criterium ‘de maatschappelijke opvatting’ met inachtneming van de belangen van de partijen in deze procedure (4.3.4). Vóór het standpunt dat artikel 6:174 BW ook de benadeelde medebezitter beoogt te beschermen pleit volgens de Hoge Raad:

  • dat de algemene doelstelling van artikel 6:174 BW is dat het risico van onvindbaarheid van degene die verantwoordelijk is voor het gebrek niet op de benadeelde wordt afgewenteld;
  • dat hij deze beschermingsgedachte evenzeer van toepassing acht op de benadeelde derde als op de benadeelde medebezitter;
  • dat het belang van de benadeelde medebezitter om zijn schade te kunnen verhalen zwaarwegend is;
  • dat het uit maatschappelijk oogpunt redelijker is om de schade over de bezitters te verdelen;
  • dat deze schade makkelijk verzekerd kan worden.

Daaraan doet volgens de Hoe Raad niet af:

  • dat een bezitter zichzelf niet kan aanspraken als hij de enige bezitter is;
  • dat de man en de vrouw in deze zaak in een samenlevingsverband leefden;
  • dat door het aannemen van deze aansprakelijkheid mogelijk een toename van claims kan ontstaan.

De Hoge Raad neemt relativiteit aan.

Hoewel dit in het onderhavige geval een redelijke oplossing lijkt, was ook een andere uitkomst mogelijk geweest. In het zogenaamde ‘Io Vivat’ arrest is bijvoorbeeld een goed argument te vinden dat bij gedeeld bezit geen onderlinge aansprakelijkheid bestaat. In dat geval had een lid van een commissie die een zeilweekend organiseerde schade geleden tijdens dit weekend. De Hoge Raad oordeelde dat dit commissielid geen aanspraak had op de vereniging wegens onvoldoende toezicht. Omdat hij zelf onderdeel was van de organisatie strekte de zorgvuldigheidsnorm die door die organisatie was overtreden niet tot haar bescherming, volgens de Hoge Raad. De stap van ‘onderdeel van de organisatie’ naar ‘mede-eigenaar’ lijkt toch niet al te groot…

Relativiteit is niet het enige interessante aspect van het Hangmat-arrest. Voor een uitgebreidere bespreking van met dit arrest samenhangende problematiek verwijs ik naar een artikel van Femke Leopold over de procedure in eerste aanleg ‘Aansprakelijkheid bij medebezit: een 'relatief' complex vraagstuk’, TVP 2009-2, p.49-62. Binnenkort verschijnt van haar hand ook een noot bij het arrest van de Hoge Raad in het Tijdschrift voor Vergoeding Personenschade.

Deel dit via:   
linkedin facebook twitter email
Alice Krispijn

Tel: +31 20 5506 815
E-mail: alice.krispijn@kvdl.nl

Bekijk ons netwerk op

linkedin