Vervaltermijnen soms niet fataal
Raad van Arbitrage 16 maart 2010, TBR 2010/134
Vervaltermijnen soms toch niet fataal
Veel algemene voorwaarden in de bouw (UAV 1989, DNR
2005, RVOI 2001, SR 1997) bevatten contractuele vervaltermijnen ter
zake van de aansprakelijkheid. Artikel 12 lid 4 UAV 1989 is berucht
en bepaalt: “De rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek
is niet ontvankelijk, indien zij wordt ingesteld na verloop van
vijf jaren na de in het eerste lid bedoelde dag”.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad van Arbitrage (en
inmiddels ook van de civiele rechter) is een vordering die wordt
ingesteld door de opdrachtgever tegen een aannemer na het
verstrijken van deze vervaltermijn niet ontvankelijk. Te laat is te
laat. Slechts in uitzonderingsgevallen biedt de redelijkheid en
billijkheid de opdrachtgever de helpende hand maar dat is
-overigens terecht- een uitzondering op de regel. Paragraaf 12 lid
4 UAV is immers een contractuele afspraak en daar moet de
rechter/arbiter in beginsel buiten blijven. Een recente uitspraak
van de Raad van Arbitrage d.d. 16 maart 2010 (TBR 2010/134) biedt
opdrachtgevers toch iets meer mogelijkheden om na het verstrijken
van de vervaltermijn hun recht te halen. In die zaak had de
opdrachtgever een vordering op de aannemer tot betaling van de
kosten van herstel van gebreken. De aannemer verweert zich – onder
meer - met een beroep op het verstrijken van de vervaltermijn van
paragraaf 12 lid 4 UAV. Tijdens de procedure heeft de opdrachtgever
zijn vordering aangepast in die zin dat hij geen vergoeding van
kosten van herstel meer vordert, maar zich beroept op verrekening
van zijn vordering met een vordering die de aannemer op de
opdrachtgever heeft. Die strategie heeft succes. Arbiters maken een
onderscheid tussen enerzijds het “vorderingsrecht” en anderzijds de
“rechtsvordering”. Het vorderingsrecht is het materiële recht zoals
het recht op herstel of schadevergoeding, terwijl de
rechtsvordering ziet op de mogelijkheid die een schuldeiser heeft
om zijn vorderingsrecht te gelde te maken.
In paragraaf 12 lid 4 UAV 1989 is sprake van het verval van de
rechtsvordering, anders gezegd het recht van de opdrachtgever om
zijn vorderingsrecht in een procedure tegen de aannemer te
effectueren. Door het wegvallen van het recht (lees: de
rechtsvordering) om het vorderingsrecht te gelde te maken, staat
een opdrachtgever echter niet met lege handen. Hem resteert dan een
natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 BW. Een
natuurlijke verbintenis is een rechtens niet afdwingbare
verbintenis. Artikel 6:131 BW bepaalt dat de bevoegdheid om te
verrekenen niet teniet gaat als gevolg van de verjaring van een
vordering. Opdrachtgever houdt na het verjaren van de vordering de
mogelijkheid om een natuurlijke verbintenis te verrekenen. Hoewel
paragraaf 12 lid 4 UAV geen verjaringstermijn maar een
vervaltermijn bevat, hebben arbiters geen aanleiding gezien om voor
vervaltermijnen tot een andere uitkomst te komen. Arbiters
overwegen:
“Ter zake van de vervaltermijn merken zij op dat in
paragraaf 12 lid 4 UAV wordt gesproken van de rechtsvordering die
na verloop van een zekere tijd niet ontvankelijk meer is. Uit die
bepaling kan derhalve niet worden afgeleid dat andere rechten van
opdrachtgever ter zake –waaronder het beroep op verrekening- zouden
vervallen.”
Kort en goed
Na het verstrijken van de contractuele vervaltermijn als bedoeld
in bijvoorbeeld paragraaf 12 lid 4 UAV heeft een opdrachtgever geen
rechtsvordering meer op de aannemer. Hem resteert dan een –rechtens
niet afdwingbare- natuurlijke verbintenis. Die natuurlijke
verbintenis kan de opdrachtgever te gelde maken via verrekening,
zulks vanzelfsprekend onder de voorwaarde dat er iets te verrekenen
valt. Helemaal fataal hoeft het laten verstrijken van een
contractuele vervaltermijn dus niet te zijn.